Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:18978
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,662 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.35678
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker]
, geboren op [geboortedag] 1983, van Pakistaanse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaert).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker om de rechtsgevolgen van het besluit waarmee de ambtshalve toetsing van artikel 64 van de Vw is afgewezen op te schorten en hem te behandelen als ware aan hem uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw. Hiermee bedoelt verzoeker onder andere de uitzetting te voorkomen en de opvang en voorzieningen voort te zetten gedurende de behandeling van het bezwaarschrift.
1.1.
De minister heeft met het besluit van 10 november 2023 de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om bovenstaande voorlopige voorziening.
1.2.
Verzoeker is vrijgesteld van het betalen van griffierecht.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, K. Wali als tolk in de taal Pashto en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter is, anders dan de minister, van oordeel dat er wel sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De stelling van de minister dat geen sprake is van spoedeisendheid van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat er geen concreet voornemen is of voorbereidingen zijn getroffen om verzoeker uit te zetten, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat er nog geen concrete plannen voor uitzetting bestaan, is niet relevant. Het feit dat verzoeker verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang.
Bezwaar redelijke kans van slagen
5. De voorzieningenrechter ziet zich dan voor de vraag gesteld of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
5.1.
Verzoeker voert aan dat zijn bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. In bezwaar heeft verzoeker onder andere aangevoerd dat het BMA-advies niet gebaseerd is op alle stukken en niet alle omstandigheden juist zijn meegenomen. Zoals de omstandigheid dat hij verwacht dat hij binnen zes maanden na uitzetting vanwege stress opnieuw zal decompenseren.
5.2.
De minister stelt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Uit het meest recente BMA-advies van 24 april 2025 volgt namelijk dat geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht en dat verzoeker kan reizen mits voldaan wordt aan de reisvoorwaarden. De minister merkt op dat een advies van het BMA een deskundigenadvies is aan de minister ten behoeve van de uitvoering van haar bevoegdheden. De minister meent dat het advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Op basis van de medische stukken van verzoeker heeft het BMA vastgesteld dat geen medische noodsituatie te verwachten is binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden en dat verzoeker in staat is om te reizen onder de voorwaarde dat verzoeker tijdens de reis wordt begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige. Door verzoeker is geen contra-expertise overgelegd, maar zijn slechts kritische kanttekeningen geplaatst bij het advies waarbij door de minister wordt opgemerkt dat is nagelaten te onderbouwen waaruit zou volgen dat in het BMA-advies ten onrechte is aangenomen dat de behandeling tijdelijk zal zijn, dat de aard van zijn klachten is onderschat en waaruit zou volgen dat terugkeer naar zijn land van herkomst strijdt met artikel 3 van het EVRM oplevert.
5.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de minister niet gevolgd worden in de stelling dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Hier neemt de voorzieningenrechter voor mee dat verzoeker nog de mogelijkheid krijgt om op het aanvullend BMA-advies van 24 april 2025 te reageren en dus nog niet geconcludeerd kan worden dat deze gronden geen redelijke kans van slagen hebben. Bovendien vindt de voorzieningenrechter de conclusie van het aanvullend BMA-advies van 24 april 2025 niet op voorhand concludent. Er lijkt volgens de voorzieningenrechter namelijk een discrepantie te bestaan in het advies. In het advies op pagina 3 staat het volgende (onderstreping door de voorzieningenrechter):
“Bij uitblijven van de genoemde behandeling verwacht ik
geen medische noodsituatie
binnen deze termijn, omdat er voor zover bekend in het verleden geen sprake is geweest van suïcidaliteit, ernstige decompensatie of een gedwongen klinische opname. Dit maakt de kans dat er binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden een
zeer kleine kans is dat een medische noodsituatie zal ontstaan
.”
De voorzieningenrechter ziet een verschil tussen een zeer kleine kans dat een medische noodsituatie zal ontstaan en dat er geen kans op een medische noodsituatie bestaat. Dit is volgens de voorzieningenrechter niet op voorhand concludent.
Belangenafweging
6. De voorzieningenrechter zal vervolgens een belangenafweging maken. Partijen hebben op de zitting hun belangen als volgt geschetst.
6.1.
Verzoeker heeft aangegeven dat zijn belang bij toewijzing van de voorlopige voorziening niet enkel gelegen is in het voorkomen van de uitzetting gedurende de bezwaarprocedure, maar ook in het krijgen van opvang en medische voorzieningen tijdens de bezwaarprocedure. Verzoeker zit nu namelijk al anderhalf jaar in de noodopvang waar hij geen adequate medische behandeling kan krijgen. Zonder rechtmatig verblijf zal de noodopvang en deze medische behandeling wegvallen. Met een toegewezen voorlopige voorziening zal het COA verzoeker weer opvang en medische voorzieningen moeten verschaffen en is verzoeker dus niet meer genoodzaakt gebruik te maken van de noodopvang of de niet adequate medische behandeling
6.2.
De minister heeft aangevoerd dat haar belang bij afwijzing van de voorlopige voorziening is gelegen in het financiële belang. De opvang en de medische behandeling zullen namelijk door de belastingbetaler bekostigd worden.
6.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van verzoeker zwaarder wegen dan de belangen van de minister. Mocht het namelijk zo zijn dat bij uitzetting de zeer kleine kans zich verwezenlijkt dat er een medische noodsituatie zal ontstaan, zoals is aangegeven in het BMA-advies, dan zou dit onomkeerbare gevolgen voor verzoeker kunnen hebben. Bovendien ziet de voorzieningenrechter ook het belang dat verzoeker, die in de noodopvang enkel gebruik kan maken van de in de aldaar beschikbare en volgens hem niet adequate medische behandeling, weer toegang krijgt tot de opvang van het COA en de medische behandeling daar. Ook is het onduidelijk wanneer een beslissing op bezwaar wordt genomen, nu verzoeker nog mag reageren op het BMA-advies en ook heeft aangegeven gehoord te willen worden in bezwaar, en is het daarmee ook onduidelijk hoe lang verzoeker met een afgewezen voorlopige voorziening geen toegang zal hebben tot de voorzieningen zoals opvang en de medische behandeling. Aan de kant van de minister weegt enkel het financiële belang dat deze voorzieningen door de belastingbetaler bekostigd worden. Dit weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen de gestelde belangen van verzoeker bij toewijzing van de voorlopige voorziening.
Conclusie
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 10 november 2023 wordt geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit houdt onder andere in dat verzoeker de bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten en dat aan verzoeker opvang en medische voorzieningen worden aangeboden.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit van 10 november 2023 tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Vreemdelingenwet 2000.
Bureau Medische Advisering.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.