Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:18970
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,246 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/15675 en AWB 24/15677
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 17 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] , [V-Nummer] , eiser
( [gemachtigde eiser] ),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘Afwachten beslissing artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN)’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en verzoekt om een voorlopige voorziening. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘Afwachten beslissing artikel 17 van de RWN’. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 19 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘Afwachten beslissing
artikel 17 van de RWN’ afgewezen omdat eiser geen verzoekschrift zou hebben ingediend ter vaststelling van zijn Nederlanderschap en omdat eiser niet zou zijn ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) van de gemeente Amsterdam. In bezwaar heeft eiser een afschrift van het verzoekschrift overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat hij wel degelijk een verzoekschrift heeft ingediend bij de rechtbank Den Haag tot vaststelling van het Nederlanderschap. Tevens heeft hij een ontvangstbevestiging van dit verzoekschrift van de rechtbank Den Haag overgelegd. Daarnaast heeft eiser een inschrijvingsbewijs overgelegd waaruit blijkt, dat hij is ingeschreven in de Brp van Amsterdam.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft de minister eisers bezwaar ongegrond verklaard en daar het volgende aan ten grondslag gelegd. In bezwaar is volgens de minister gebleken dat eiser inmiddels wel staat ingeschreven in Nederland en dat hij bij de rechtbank een verzoek heeft ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 van de RWN. Vorenstaande betekent volgens de minister echter geenszins dat eiser door het overleggen van voornoemde stukken vrijgesteld kan worden van het mvv-vereiste.
Motivering
4. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en een draagkrachtige motivering ontbeert. Op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder g, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt een aanvraag tot verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen op het ontbreken van een geldige mvv, als de vreemdeling in Nederland verblijft en bij de rechtbank Den Haag een verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap op grond van artikel 17 van de RWN dat naar het oordeel van Onze Minister niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift van eiser omtrent de vaststelling van het Nederlanderschap naar het oordeel van Onze Minister klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. Het team Nationaliteitsvraagstukken van Juridische Zaken is de afdeling die beoordeelt of het verzoekschrift van eiser klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. De minister verwijst voor de motivering van haar standpunt enkel naar een brief van 24 juli 2024 van het team Nationaliteitsvraagstukken aan de rechtbank Den Haag waarin volgens de minister wordt geconcludeerd dat eiser niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Deze brief zit niet in het dossier.
De minister heeft deze brief, na het opvragen daarvan door de rechtbank, niet overgelegd omdat deze brief niet in haar bezit is. Eiser heeft op de zitting verklaard ook niet te beschikken over de brief van 24 juli 2024. De rechtbank is daarom met eiser van oordeel dat de minister het standpunt dat het verzoekschrift van eiser omtrent de vaststelling van het Nederlanderschap klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot niet heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit is als gevolg hiervan in strijd met het motiveringsbeginsel. De beroepsgrond slaagt.
Hoorplicht
5.1.
Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat de minister de hoorplicht heeft geschonden door hem niet te horen in bezwaar.
5.2.
In het primaire besluit heeft de minister de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier afgewezen omdat eiser geen verzoekschrift zou hebben ingediend ter vaststelling van zijn Nederlanderschap en omdat eiser niet zou zijn ingeschreven in de Brp van de gemeente Amsterdam. In het bestreden besluit heeft de minister de grondslag voor de afwijzing gewijzigd en de aanvraag afgewezen omdat het verzoekschrift omtrent de vaststelling van het Nederlanderschap klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. De minister heeft daartoe geconcludeerd na onderzoek door het team Nationaliteitsvraagstukken van Juridische Zaken. Op basis van deze grondslagwijziging in het bestreden besluit en het feit dat de minister onderzoek heeft laten doen tijdens de bezwaarfase, is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is waardoor de minister niet had mogen afzien van het horen van eiser op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beroepsgrond slaagt dus ook.
Gelijkheidsbeginsel
6. Eiser heeft zich tot slot beroepen op het gelijkheidsbeginsel en heeft in dat verband naar voren gebracht dat de minister in een aantal vergelijkbare gevallen wel degelijk is overgegaan tot inwilliging van de aanvraag, nadat was komen vast te staan dat betrokkenen een verzoekschrift hadden ingediend op grond van artikel 17 van de RWN en waren ingeschreven in de Brp. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat in zijn praktijk drie gevallen zijn geweest waarin, net als in deze zaak, bij de aanvraag van de verblijfsvergunning ofwel tijdens de bezwaarprocedure, een inschrijvingsbewijs van de Brp en een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap zijn overgelegd waarna direct een verblijfsvergunning is toegekend door de minister. Daarbij heeft de gemachtigde toegelicht dat het hem onduidelijk is waarom dat in die drie zaken wel mogelijk was terwijl dat in deze zaak niet zo is gegaan. De minister heeft in deze zaak namelijk een onderzoek laten uitvoeren door het team Nationaliteitsvraagstukken van Juridische Zaken dat een advies heeft uitgebracht in de vorm van bovengenoemde brief van 24 juli 2024 (die, zoals gezegd, niet aanwezig is in het dossier). Voor de gemachtigde is niet kenbaar geweest dat een dergelijk advies ook in de bovengenoemde drie zaken is opgevraagd door de minister. Hij gaat er daarom vanuit dat dit niet is gebeurd en dat direct verblijfsvergunningen zijn verstrekt. Het gaat verder volgens eiser om identieke situaties, waarbij betrokkenen geboren zijn voor 1975 en bij de geboorte Nederlands. Na de onafhankelijkheid van Suriname is de vraag of zij het Nederlanderschap zijn verloren of niet, daarom precies hetzelfde als bij eiser. De minister heeft in het geval van eiser in vergelijking met deze drie zaken anders gehandeld en beslist op de aanvraag. De rechtbank is van oordeel dat ook deze beroepsgrond slaagt. De minister is niet op zitting verschenen en heeft ook geen verweerschrift ingediend, waardoor een reactie op het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel is uitgebleven. Daardoor ontbreekt een motivering waarom in deze zaak anders is beslist dan in de zaken die eiser als identiek heeft genoemd. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek.
7. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. De gemachtigde heeft op zitting verwezen naar de per 1 januari 2025 van kracht zijnde regeling voor Surinaamse oud-Nederlanders op grond waarvan een verblijfsvergunning kan worden aangevraagd. Deze regeling bevat vrij eenvoudige voorwaarden. De rechtbank geeft partijen mee dat dat een aanvraag op grond van deze regeling voor 1 juli 2025 moet worden ingediend en dat deze regeling eiser wellicht de mogelijkheid biedt om langs die weg een verblijfsvergunning te verkrijgen. Dit is iets wat tijdens een hoorzitting in bezwaar aan de orde kan komen.
Conclusie
8.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en de hoorplicht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
8.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
8.3.
Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Eiser mag het nieuwe besluit op bezwaar in Nederland afwachten zoals de minister in het primaire besluit ook zelf heeft overwogen. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
8.4.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank,
in de zaak AWB 24/15675:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
in de zaak AWB 24/15677:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
in beide zaken:
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 374,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaak AWB 24/15677.