Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:18930
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,749 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40873
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Maalsen),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.40874), op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. L. Peeters, als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek in eerste instantie afgewezen, maar na een tweede verzoek heeft Oostenrijk de claim alsnog geaccepteerd.
Is het besluit voldoende zorgvuldig voorbereid?
5. Eiser betoogt dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is genomen. De minister heeft
namelijk gebruik gemaakt van een standaardvoornemen waarin niet is ingegaan op individuele omstandigheden waarover door eiser is verklaard tijdens het aanmeldgehoor. Dat eiser in zijn zienswijze kan reageren, is onvoldoende omdat door het standaardvoornemen de minister de mogelijkheid ontneemt om standpunten uit te wisselen. Eiser wijst hierbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. Daarbij komt dat de minister in het besluit enkel een korte passage heeft toegevoegd waarin de redenen van eiser waarom hij niet wil worden overgedragen, zijn opgenoemd. Hieruit wordt niet duidelijk op welke manier de bezwaren van eiser zijn betrokken bij de besluitvorming.
Daarnaast betoogt eiser dat het claimakkoord onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat bij het eerste claimverzoek vingerafdrukken en personalia van een andere vreemdeling zijn meegestuurd en de Eurodacgegevens niet zijn toegevoegd aan dat verzoek. De minister had dit moeten herstellen bij het tweede claimverzoek. Verder is in het tweede claimverzoek artikel 18, eerste lid, en onder b, van de Dublinverordening genoemd, terwijl de claim is geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, en onder d, van de Dublinverordening.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het voornemen een voorbereidingshandeling is waaraan geen rechtsgevolgen verbonden zijn. In het voornemen heeft de minister voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond van welke redenen, Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Daarin staat ook dat het aan eiser is om bijzondere individuele omstandigheden naar voren te brengen waaruit blijkt dat overdracht van eiser leidt tot onevenredige hardheid en dat dit in geval van eiser niet is gebleken. Hoewel de verklaringen van eiser niet kenbaar zijn betrokken in het voornemen, heeft eiser met de zienswijze wel de kans gekregen om te reageren op het voornemen en naar voren te brengen waarom zijn persoonlijke omstandigheden maken dat er van een overdracht moet worden afgezien. Het betoog van eiser dat het enkel kunnen reageren via een zienswijze de mogelijkheid ontneemt om standpunten uit te wisselen, maakt dit niet anders. Het is in beginsel namelijk aan hem om deze bijzondere individuele omstandigheden naar voren te brengen. Daarom is het gebruik van een standaardtekst in het voornemen geen zorgvuldigheidsgebrek. Niet is gebleken dat de minister in het bestreden besluit niet is ingegaan op de punten die eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het betoog van eiser dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, slaagt derhalve niet.
Ook het betoog van eiser dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat het claimakkoord onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, volgt de rechtbank niet. De minister heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat het onduidelijk is of daadwerkelijk de personalia en vingerafdrukken van een andere vreemdeling zijn meegezonden met het eerste claimverzoek. Wel staat vast dat de Eurodacgegevens niet zijn meegestuurd en een onjuiste geboortedatum (namelijk [geboortedatum 1] 2004) is genoemd in het eerste claimverzoek. Los van de vraag of daardoor daadwerkelijk sprake is van een onzorgvuldigheid, is dit claimverzoek afgewezen en is uiteindelijk op basis van de juiste personalia en Eurodacgegevens een claim tot stand gekomen. Dat de tweede claim op grond van artikel 18, eerste lid, en onder b van de Dublinverordening is gedaan en op een andere grondslag is geaccepteerd, maakt ook niet dat sprake is van een onzorgvuldige claim. De minister heeft namelijk toegelicht dat bij het indienen van een claim niet altijd duidelijk is wat in de andere lidstaat is gebeurd met het asielverzoek, waardoor het kan zijn dat op een andere grondslag wordt geclaimd dan de grondslag waarmee akkoord wordt gegaan. De rechtbank ziet hierin geen onzorgvuldigheid.
Mag de minister voor Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser betoogt dat voor Oostenrijk niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat het mogelijk is om klachten in te dienen bij de bevoegde autoriteiten indien een land zich niet houdt aan de Opvang-, Kwalificatie en Procedurerichtlijn. Ook is de leeftijdsregistratie in Oostenrijk van eiser onzorgvuldig geweest. In dat kader wijst eiser op het AIDA-rapport van juli 2025. Hieruit blijkt dat gratis juridische ondersteuning niet aanwezig is Oostenrijk, en vooral voor Dublinterugkeerders en voor opvolgende aanvragen het nog lastiger is om juridische bijstand te krijgen. Daarnaast blijkt uit het rapport dat het leeftijdsonderzoek niet voldoet aan de internationale standaarden. Eiser heeft daarnaast zelf ondervonden dat klagen over problemen in Oostenrijk niet kan. Zijn aanvraag is namelijk afgewezen in Oostenrijk en zijn advocaat was niet bereid om hiertegen (hoger) beroep in te stellen. De minister had hierin aanleiding moeten zien om artikel 17 van de Dublinverordening toe te passen.
Verder wijst eiser erop dat Oostenrijk zijn asielaanvraag heeft afgewezen, terwijl eiser in Nederland wel een vergunning zou krijgen en niet uitgezet zou worden naar Somalië. Oostenrijk zal eiser echter wel daadwerkelijk uitzetten, wat betekent dat een overdracht naar Oostenrijk is strijd is met het non-refoulementbeginsel.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de minister voor Oostenrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Dat is zo als eiser aannemelijk maakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest te vallen. Hierin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij herhaling geoordeeld dat de minister ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Het betoog van eiser dat Dublinterugkeerders onzekerheid hebben over de effectieve toegang tot hun rechten, heeft de minister terecht onvoldoende gevonden om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. De Oostenrijkse autoriteiten hebben namelijk een claimakkoord afgegeven, waarmee is gegarandeerd dat het asielverzoek van eiser in behandeling zal worden genomen overeenkomstig de Europese richtlijnen. Verder blijkt uit artikel 20 van de Procedurerichtlijn dat kosteloze rechtsbijstand niet onbeperkt is en dat daaraan voorwaarden mogen worden gesteld. Op dit punt is daarom geen sprake van een systeemfout.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Rb. Den Haag, zp. Roermond, 16 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16732.
ABRvS 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348 en ABRvS 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.
Hof van Justitie van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, paragraaf 77.
Zie de uitspraken van 13 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2017), 24 oktober 2024 (ECLI:RVS:2024:4302, ECLI:NL:RVS:2024:4303) en 8 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:31).
Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.