Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:18901
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,174 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/12131
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2025. Eiser is verschenen. Hij is ter zitting bijgestaan door mr. A. Agayev. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Oezbeekse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988.
2. Eiser voert tegen het terugkeerbesluit aan dat hij sinds 2 april 2025 in Nederland een relatie heeft met een Griekse onderdaan. Hij heeft ook een aanvraag ‘toetsing aan het EU-recht’ ingediend.
2.1.
De rechtbank begrijpt dat eiser stelt dat hij ten tijde van de oplegging van het terugkeerbesluit een declaratoir verblijfsrecht had op grond van Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn). Uit artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), dat een implementatie vormt van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verblijfsrichtlijn, volgt dat een derdelander een declaratoir verblijfsrecht heeft als hij een deugdelijk bewezen duurzame relatie met een Unieburger heeft. Een relatie wordt in beginsel pas aangemerkt als duurzaam als de relatie zes maanden heeft geduurd (zie paragraaf B10/2.2.4.5. van de Vreemdelingencirculaire 2000).
2.2.
Eiser is voorafgaand aan de oplegging het terugkeerbesluit op 18 mei 2025 gehoord. Tijdens dat gehoor heeft eiser verklaard dat hij een vriendin in Letland heeft. Eiser heeft tijdens dat gehoor niets verklaard over een relatie met een Griekse partner in Nederland. Verweerder heeft eiser daarover dan ook niet kunnen bevragen en daarmee bij het besluit geen rekening kunnen houden.
2.3.
Eerst in beroep heeft eiser gesteld dat hij een Griekse partner in Nederland heeft. Eiser heeft echter helemaal geen bewijsstukken overgelegd waaruit die gestelde relatie blijkt. Reeds gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat eiser ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit een duurzame relatie met een Unieburger had. Overigens geldt dat in het beroepschrift is vermeld dat de relatie op 2 april 2025 ingegaan. Dit zou betekenen dat de gestelde relatie ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit op 18 mei 2025 nog (ruimschoots) geen zes maanden duurde en dus niet duurzaam was.
2.4.
Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat eiser ten tijde van de oplegging van het terugkeerbesluit een declaratoir verblijfsrecht had op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb. De (enige) beroepsgrond slaagt niet.
3. Ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels een procedureel (declaratoir) verblijfsrecht heeft op grond van de ingediende aanvraag ‘toetsing aan het EU-recht’. Eiser heeft deze aanvraag pas na de oplegging van het terugkeerbesluit ingediend. Er is daarom geen sprake van dat eiser ten tijde van de oplegging van het terugkeerbesluit reeds een dergelijk procedureel (declaratoir) verblijfsrecht had. Dit later ontstane verblijfsrecht maakt het terugkeerbesluit ook niet met terugwerkende kracht onrechtmatig, maar schort het terugkeerbesluit slechts op.
4. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.