Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:18895
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,103 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27816
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De behandeling van het beroep stond gepland op de zitting van 11 juli 2025. Partijen zijn echter, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op 11 juli 2025 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Angolese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996.
Bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser Nederland en het grondgebied van de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten. Eiser heeft volgens verweerder geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om af te zien van oplegging van het inreisverbod.
Beroepsgrond
3. Eiser voert aan dat het inreisverbod in strijd is met zijn recht op familieleven neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Door het inreisverbod kan hij zijn ouders en broers die in Nederland wonen twee jaar niet zien. Eiser heeft, anders dan verweerder stelt, regelmatig contact met zijn ouders en broers en zij vormen een essentieel onderdeel van eisers leven.
Beoordeling
4.1.
Op 31 juli 2023 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, inhoudende dat eiser Nederland en het grondgebied van de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten. Gelet op dit terugkeerbesluit, dat in rechte vaststaat, is verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw gehouden aan eiser een inreisverbod op te leggen. Uit artikel 66a, achtste lid, van de Vw volgt dat verweerder om humanitaire redenen of andere redenen kan afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Volgens paragraaf A4/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vaardigt verweerder geen inreisverbod uit als dit een schending van artikel 8 van het EVRM betekent.
4.2.
Uit het proces-verbaal van gehoor van 21 juni 2024 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij heel soms (één keer per drie maanden) telefonisch contact heeft met zijn ouders – zijn moeder woont in Nederland, zijn vader in België – en dat hij geen contact heeft met zijn broers die in Nederland wonen. Verweerder mocht van deze verklaringen van eiser uitgaan, heeft zich op grond daarvan terecht op het standpunt gesteld dat eiser slechts sporadisch telefonisch contact heeft met zijn ouders en dat hij dit ook vanuit Angola kan doen, en heeft in deze familiebanden geen aanleiding hoeven zien om van oplegging van het inreisverbod af te zien. Uit de verklaringen van eiser volgt namelijk evident dat er geen beschermenswaardig familieleven bestaat tussen eiser en zijn ouders en broers en dat het inreisverbod dus niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In beroep heeft eiser gesteld dat hij juist veel contact heeft met zijn ouders en broers, maar nu eiser deze stelling, die tegenstrijdig is aan zijn eerdere verklaringen, niet heeft onderbouwd, volgt de rechtbank die niet. De (enige) beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
5. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.