Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:18816
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,741 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40908
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres,
mede namens haar minderjarige kind, [minderjarige kind], V-nummer: [V-nummer 2] (gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Visschers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het beroep in zaaknummer NL25.40911, op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, E. Epozdimir als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere
lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.¹ In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
Artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening
5. Eiseres voert aan dat zij een risico loopt op illegale pushbacks, omdat door acceptatie op de grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid van Kroatië niet vaststaat. De Kroatische autoriteiten kunnen nog bepalen dat ze niet verantwoordelijk zijn voor de asielaanvraag van eiseres en het is onduidelijk hoe de procedure verder zal lopen. Daardoor bestaat het risico dat eiseres het slachtoffer wordt van een illegale pushback en haar asielaanvraag niet inhoudelijk wordt behandeld. Het ligt daarom op de weg van de minister om nadere garanties te vragen aan de Kroatische autoriteiten dat zij de asielaanvraag inhoudelijk zullen behandelen.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft niet betwist dat haar asielverzoek in Kroatië is geregistreerd. Dit blijkt ook uit de gegevens uit Eurodac. De juistheid van het claimverzoek op zichzelf is ook niet betwist. Door het claimverzoek op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening te accepteren hebben de Kroatische autoriteiten duidelijk gemaakt dat zij voor zichzelf een verplichting zien om eiseres terug te nemen met alle verantwoordelijkheden die daarbij horen. Het betreft een terugname met oog op afronding van de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Eiseres heeft Kroatië verlaten voordat de Kroatische autoriteiten hebben bepaald welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Er bestaat een kans dat de Kroatische autoriteiten een andere lidstaat verantwoordelijk achten. Indien eiseres het niet mee eens is met de uitkomst van deze procedure dan kan daarover in Kroatië worden geprocedeerd. Verder is niet gebleken dat vreemdelingen die op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening worden overgedragen aan Kroatië meer risico lopen op pushbacks dan andere Dublinclaimanten. Eiseres heeft desgevraagd tijdens de zitting hierover verklaard dat daarover in rapporten met landeninformatie over Kroatië niets staat. Er is dan ook geen aanleiding om te vermoeden dat eiseres het risico loopt slachtoffer te worden van een illegale pushback. Daarom hoeft de minister ook geen garanties te vragen aan de Kroatische autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij verwijst hiertoe naar het AIDA rapport, update 2024, van augustus 2025, pagina’s 57 tot en met 61. Hieruit volgt dat er geen toegang is tot rechtsbijstand. Eiseres heeft veel vrees voor herhaling van de eerdere gewelddadige gebeurtenissen die ze in Kroatië heeft meegemaakt en uit het AIDA rapport blijkt dat hiertegen geen effectieve rechtsbescherming kan worden ingeroepen.
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Kroatië bevestigd in de
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
uitspraak van 20 augustus 2025.² Dit betekent dat de minister in beginsel ervan mag uitgaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM³ en artikel 4 van het Handvest.⁴ Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over haar eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Als eiseres aannemelijk maakt dat er tekortkomingen zijn in het asiel- en opvangsysteem, zal pas sprake zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.⁵
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat Kroatië zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen. De minister heeft ter zitting aangegeven dat de passages uit het AIDA rapport, update 2024, geen wezenlijk ander beeld geven dan het eerdere AIDA rapport, update 2023. Hierbij heeft de minister gewezen op passages in het eerdere AIDA rapport, die overeenkomen met passages in het meest recente rapport. De rechtbank kan de minister hierin volgen. De minister kan daarom ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Tarakhel
9. Eiseres voert aan dat de minister garanties moet vragen bij Kroatië voor opvang, toegang tot de asielprocedure en voorzieningen. Eiseres is bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel⁶, mede gelet op het minderjarige kind, dat getraumatiseerd is door de ervaringen in Kroatië.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres en haar minderjarige kind niet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel. Eiseres heeft niet met medische documenten aannemelijk gemaakt dat zij of haar zoon kwetsbaar is. Daarnaast heeft zij niet onderbouwd dat er speciale behoeften zijn voor haar of haar zoon, waarvoor individuele garanties moeten worden gevraagd bij de Kroatische autoriteiten. Er is geen concrete aanwijzing dat eiseres en haar zoon geen toegang krijgen tot opvang of andere voorzieningen. Hierbij is van belang dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag worden uitgegaan dat de nodige voorzieningen beschikbaar zijn. Individuele garanties zijn daarom niet vereist. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
2 ECLI:NL:RVS:2025:3901.
3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5 Zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo.
6 EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
11. Eiseres voert aan dat zij en haar zoon in Kroatië slachtoffer zijn geworden van gewelddadige pushbacks. Eiseres en haar minderjarige kind zijn ook slachtoffer en ooggetuige geweest van ernstig geweld van overheidswege.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister eiseres en haar minderjarige zoon aan Kroatië mag overdragen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
7 Verdrag inzake de rechten van het kind, New York, 20-11-1989.
8 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 september 2025
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.