Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:18777
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,942 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3804
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B.F. van Es),
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (ISD), verweerder
(gemachtigde: mr. D. de Borst).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een (aanvullende) uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering met het primaire besluit van 25 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 maart 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 1] , vriendin van eiser, [naam 2] , eisers begeleider werkzaam als Materieel Juridisch Dienstverlener bij [zorginstantie] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
3. Eiser heeft sinds 25 juni 2022 een auto op zijn naam staan met kenteken [kenteken] Op 5 mei 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend om een bijstandsuitkering in aanvulling op zijn uitkering op grond van de Ziektewet (Zw) met als gewenste ingangsdatum 4 april 2023.
3.1.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat het vermogen van eiser € 4.117,69 boven de voor hem geldende vermogensgrens van € 7.605,- zit. Dit komt met name door de waarde van zijn auto van € 10.700,-.
3.2.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften van 18 maart 2024, de afwijzing gehandhaafd. Voor het bepalen van het vermogen van eiser in het kader van de bijstand kan geen rekening gehouden worden met de schuld van € 10.000,- die eiser bij zijn ouders heeft voor de aanschaf van zijn auto. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling bestaat. Verder is niet met stukken onderbouwd dat de auto zoals gesteld vanuit medisch oogpunt noodzakelijk is, aldus verweerder.
4. De te beoordelen periode loopt van 4 april 2023 (de gewenste ingangsdatum) tot en met 25 mei 2023 (datum afwijzingsbesluit).
4.1.
Niet in geschil is dat de auto van eiser ten tijde van de aanvraag een (markt)waarde had van € 10.700,-.
4.2.
Eiser voert aan dat hij geen vermogen had boven het voor hem geldende vrij te laten vermogen, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met een schuld van € 10.000,- aan zijn ouders. Eiser heeft dat bedrag in 2022 bij wijze van geldlening van zijn ouders ontvangen voor de aanschaf van een auto in september 2022. Deze beroepsgrond slaagt niet en daartoe is het volgende van belang.
4.3.
Het is vaste rechtspraak dat schulden in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving bij de vaststelling van het vermogen van de betrokkene in aanmerking kunnen worden genomen. Het is aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat de schulden bestaan, dat zij tijdens de bijstand (eventueel in termijnen) opeisbaar zijn en dat de schuldeiser de betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt. Een schuld aan een familielid is in beginsel te beschouwen als een schuld van vrijblijvende aard. Maar de betrokkene heeft de mogelijkheid aannemelijk te maken dat een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling bestaat. De betrokkene moet dat doen met gegevens die concreet, objectief en verifieerbaar zijn.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser het bestaan van een geldlening aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft weliswaar in bezwaar geen ondertekend exemplaar van de schriftelijke geldleenovereenkomst overgelegd, maar dit is in beroep wel gebeurd. Het bestaan van de geldlening wordt verder ondersteund door de in bezwaar overgelegde verklaring van zijn ouders met betrekking tot die lening, de screenshots van het whatsappgesprek tussen eiser en zijn ouders kort na de aankoop van de auto in 2022 waarin gesproken wordt over de lening en de aflossing en een transactieafschrift van de overboeking van € 11.542,50 op 22 juni 2022 van de bankrekening van eisers moeder naar het autobedrijf ( [bedrijfsnaam] ) ten behoeve van de aanschaf van de auto. Verder is gebleken van periodieke overboekingen van eisers bankrekening naar de bankrekening van zijn moeder van € 150,- op 1 augustus 2022, 2 september 2022 en 1 oktober 2022 met als omschrijving ‘Auto termijn’. Dat de geldlening niet aan hem ter hand is gesteld door zijn ouders is in dit geval niet relevant, nu overeenkomstig artikel 1 van de geldleenovereenkomst is gehandeld door de hoofdsom ter beschikking te stellen door overschrijving per 22 juni 2022 aan het autobedrijf. Verder is van belang dat, anders dan in de door verweerder aangehaalde uitspraak, geen sprake is van een achteraf opgestelde geldleenovereenkomst.
4.5.
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat eiser de geldlening aannemelijk heeft gemaakt, geldt dit niet voor de terugbetalingsverplichting. De schuld dient daarom beschouwd te worden als een familieschuld van vrijblijvende aard. De rechtbank begrijpt dat het de intentie van eiser was om de geldlening af te lossen. In de geldleenovereenkomst staat ook een reële termijn voor de afbetaling opgenomen. In artikel 4, met omschrijving looptijd en terugbetaling, staat dat de hoofdsom dient te zijn afgelost op 1 juli 2025 en dat aflossing van de hoofdsom gebeurt door betaling van gelijke termijnen. Vanaf 1 juli 2022 zou het gaan om € 100,- per maand voor een periode van vijf maanden en vanaf 1 december 2022 € 500,- per maand, totdat het gehele bedrag is afgelost. Eiser heeft echter alleen op 1 augustus 2022, 2 september 2022 en 1 oktober 2022 € 150,- overgemaakt naar zijn ouders. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat ten tijde van het afsluiten van de geldlening het de bedoeling was dat hij spoedig weer aan het werk zou gaan. Helaas bleek dit niet mogelijk vanwege zijn medische klachten (onder andere burnout klachten). Hij had daarom geen financiële ruimte om de geldlening verder af te lossen. Dit betekent dat eiser niet met concreet, objectief en verifieerbaar bewijs aannemelijk heeft gemaakt dat er een reële aflossingsverplichting bestond die ook daadwerkelijk werd afgedwongen ten tijde van de aanvraag. Met de onderliggende, goede intenties van eiser kan voor de toepassing van de bijstandswetgeving geen rekening gehouden worden.
4.6.
De in beroep overgelegde transactieoverzichten van overschrijvingen naar zijn moeder (29 september 2024 € 180,- met omschrijving: als afgesproken, 18 november 2024 € 50,- geen omschrijving, 2 juni 2025 € 320,- met omschrijving: rekeningen [eiser] , 1 juli 2025 € 350,- met omschrijving: [eiser] rest rekeningen en 18 juli 2025 € 20,- met omschrijving: extra betaling auto) dateren van na de afwijzing van de aanvraag en dus van na de te beoordelen periode. Daarbij komt dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij noodgedwongen meer geld heeft moeten lenen van zijn ouders nadat zijn bijstandsaanvraag is afgewezen. Onduidelijk is of de aflossingen in 2024 en 2025 zien op de geldlening van 2022 of (ook) op andere schulden. Alleen bij de overschrijving van 18 juli 2025 staat een omschrijving die wijst op aflossing van de geldlening voor de auto. Verder volgt uit de in bezwaar overgelegde schriftelijke verklaring van de ouders van eiser dat mondeling met hem is besproken dat de afbetaling weer zal starten wanneer er financieel ruimte is. Er kan dan ook op die grond niet gesproken worden van een reële opeisbare afbetalingsverplichting, nu de afbetaling pas ingaat op de lange termijn waardoor de verplichting tot afbetalen erg onzeker wordt.
De noodzaak van de auto
5. Eiser voert verder aan dat de auto niet als vermogen aangemerkt dient te worden omdat de auto voor hem noodzakelijk is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1.
In artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw, staat dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn.
5.2.
Eiser heeft in beroep een verklaring overgelegd van [naam 3] , regiebehandelaar/verpleegkundig specialist GGZ werkzaam bij [zorginstantie] , van 17 mei 2024. In de verklaring staat dat eiser sinds medio 2022 onder behandeling is bij [zorginstantie] en dat eiser is gediagnosticeerd met een aandachtsdeficiëntie- / hyperactiviteitsstoornis: overwegend hyperactief-impulsief beeld. De behandeling richt zich op stabiliteit in het dagelijks leven. Dit gebeurt door middel van medicatie en gesprekken met een psycholoog en een casemanager. Gedragsmatig is eiser bekend met impulsief gedrag, met name als er teveel prikkels om hem heen zijn.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1793.
Uitspraak van deze rechtbank van 2 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8147.