Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:18772
Civiel recht
Wraking
962 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. D. Jongsma,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.
Procesverloop
1.1.
Op 8 oktober 2025 heeft verzoekster een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend.
1.2.
De wrakingskamer heeft de beschikking over het dossier in de hoofdzaak.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 11826833 \ CV EXPL 25-2531 tussen verzoekster en Stichting [stichting] (hierna: de hoofdzaak). Verzoekster heeft in de hoofdzaak al eerder een wrakingsverzoek ingediend. Dit verzoek is bij beslissing van de wrakingskamer van 22 september 2025 afgewezen. Vervolgens heeft de kantonrechter op 6 oktober 2025 in de hoofdzaak einduitspraak gedaan.
Beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak (zie o.a. Hoge Raad 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926) is een schriftelijk ingediend wrakingsverzoek tijdig gedaan indien het voorafgaande aan de uitspraak bij het gerecht is ingekomen en wel op een tijdstip dat de betrokken rechter daarvan redelijkerwijs nog kennis kon nemen.
3.3.
Het wrakingsverzoek is op 8 oktober 2025 gedaan en op diezelfde datum per e-mail bij de wrakingskamer binnengekomen. De einduitspraak in de hoofdzaak is gedaan op 6 oktober 2025. Het verzoek is dus niet tijdig gedaan.
3.4.
Omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan in de zaak van verzoekster, kan zij om die reden niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek;
4.2.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.