Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:18765
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,556 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/367799-24
Datum uitspraak: 22 mei 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 mei 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S. Kooij en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr. J.H.E. Wanrooij naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 november 2024 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [naam 1] met een mes in haar nek heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 november 2024 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [naam 1] met een mes in haar nek heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 november 2024 te 's-Gravenhage zijn levensgezel, [naam 1] , heeft mishandeld door haar met een mes in haar nek te steken/snijden.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, nu wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte heeft gestoken. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat enkel eenvoudige mishandeling bewezen kan worden verklaard.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.
Op 17 november 2024 deed het slachtoffer [naam 1] een melding bij de politie dat zij de verdachte uit haar woning aan de [adres] in Den Haag weg wilde hebben. Toen de verbalisanten [naam 2] en [naam 3] ter plaatse waren, troffen zij de verdachte aan in de woning. Zij vroegen de verdachte de woning te verlaten. De verdachte was boos en heeft een mes uit de keuken in zijn broekzak gestopt. Op enig moment rende de verdachte vanuit de woonkamer de werkkamer in en sprong bovenop het slachtoffer. De verdachte heeft het slachtoffer met beide handen bij de kraag van haar shirt vastgepakt. De verdachte heeft vervolgens met zijn linkerarm een voorwaartse slagbeweging in de richting van de nek van het slachtoffer gemaakt en deed dit met een gebalde vuist. Verbalisant [naam 3] heeft de verdachte weggeduwd, waarna de verdachte het slachtoffer heeft losgelaten en zei: “Ik hoop dat hij in je nek zit!”. Verbalisant [naam 3] trof vervolgens een mes aan. Dit mes betrof een keukenschilmes en lag vlakbij de verdachte, op de plek waar de verdachte het slachtoffer had aangevallen. Het mes lag eerder nog niet in de werkkamer.
Direct na het incident is waargenomen dat het slachtoffer aan de linkerkant onder haar kin een klein sneetje had van een halve centimeter en dat er bloed op dat sneetje zat. Dit letsel had het slachtoffer vóór het incident met de verdachte nog niet.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte het slachtoffer in haar nek heeft gestoken met het mes dat hij kort ervóór uit de keuken had gepakt. De rechtbank gaat er daarbij, mede gelet op de uitlating die de verdachte direct na het incident heeft gedaan, van uit dat de verdachte bewust met het mes een stekende beweging heeft gemaakt richting de nek van het slachtoffer, hetgeen het bij het slachtoffer het geconstateerde letsel heeft veroorzaakt. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat hij het steekincident in scène heeft gezet, het mes niet heeft gebruikt en het slachtoffer zelf een sneetje in haar eigen nek heeft gemaakt, vindt geen enkele steun in het dossier en is ook overigens niet aannemelijk geworden.
Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte met zijn handelen minst genomen voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dodelijk letsel. Gelet op het mes waarmee de verdachte heeft gestoken en de plek waar de verdachte heeft gestoken, namelijk in de nek van het slachtoffer, wat een vitaal deel van het lichaam betreft, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood aanvaard. Dat hij zich bewust was van de risico’s van zijn handelen, blijkt overigens ook uit zijn verhoor bij de politie.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.
4De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Primair
hij op 17 november 2024 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [naam 1] met een mes in haar nek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
6De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7De oplegging van straf en maatregel
7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, gelet op de verzochte vrijspraak, geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Beoordeling
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft het slachtoffer, met wie hij tot dat moment een relatie had, in de beschermdheid van haar eigen woning en in het bijzijn van de politie, in haar nek gestoken toen zij hem uit de woning liet zetten. Dit is een zeer ernstig feit en door op deze wijze te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een politieagent heeft de verdachte kunnen wegduwen, waardoor het letsel bij het slachtoffer gelukkig gering is gebleven. Dit is echter geenszins aan verdachte te danken. De aanval die de verdachte heeft gepleegd moet voor het slachtoffer een beangstigende ervaring zijn geweest.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia-rapport van 3 april 2025, opgemaakt door psycholoog J.M. Oudejans. De deskundige concludeert dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit besef heeft gehad van de wederrechtelijkheid daarvan en niet op basis van een psychische stoornis werd belemmerd in zijn vermogen om zijn wil in vrijheid – overeenkomstig dat besef – te bepalen. De deskundige adviseert om het feit volledig aan de verdachte toe te rekenen. Verder concludeert de deskundige dat de psyche van de verdachte geen aanleiding geeft om te denken dat er sprake is van een verhoogd risico op recidive.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over en acht de verdachte volledig toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 april 2025. De reclassering concludeert dat sprake is van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De verdachte is niet responsief voor begeleiding of hulpverlening. De reclassering adviseert daarom om verdachte een geheel onvoorwaardelijke straf op te leggen. Daarnaast adviseert de reclassering om ter bescherming van het slachtoffer een contactverbod, een gebiedsverbod en een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
op te leggen.
Op te leggen straf
Gelet op de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Dat de verdachte in de beschermdheid van de woning van het slachtoffer, de vrouw met wie hij tot op dat moment een relatie had, heeft aangevallen, en daarvoor geen verantwoordelijkheid neemt, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Tegelijkertijd ziet de rechtbank ook de kwetsbaarheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit door hem is begaan. De verdachte had net gehoord dat hij de woning van het slachtoffer moest verlaten. Hij was bang dat hij het zonder haar hulp op straat niet zou overleven en moest afscheid nemen van zijn hond. De rechtbank beschouwt het handelen van de verdachte als een wanhoopsdaad, gepleegd in die context.
Dit alles bij elkaar en mede gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken als straf is opgelegd, maakt dat de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank ziet voorts, net als de officier van justitie, ook geen aanleiding om een contactverbod, gebiedsverbod of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, nu namens het slachtoffer ter zitting is gemeld dat zij geen behoefte heeft aan een contactverbod en de verdachte en het slachtoffer in de toekomst mogelijk nog contact met elkaar moeten hebben om afspraken te maken over de hond.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
8De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot doodslag;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 (DERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Amperse, voorzitter,
mr. L. Anemaet, rechter,
mr. J.M. Meester, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Veltink, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2025.