Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:18740
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,239 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/14315
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R. Bekker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Met het bestreden besluit van 15 augustus 2024 heeft de minister het terugkeerbesluit aan eiser opgelegd. Daarbij heeft de minister eiser een vertrektermijn van vier weken gegeven om de EU, waaronder begrepen de EER en Zwitserland, te verlaten en terug te keren naar Marokko.
1.2.
Eiser heeft op 12 september 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1958 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft in het verleden verschillende verblijfsprocedures gevoerd zonder positief resultaat. De laatste verblijfsaanvraag van eiser dateert van 25 januari 2024, door de minister ontvangen op 30 januari 2024. Die aanvraag heeft eiser op 15 maart 2024 weer ingetrokken.
2.1.
Eiser is op 15 augustus 2024, met het oog op het opleggen van het terugkeerbesluit, gehoord over zijn zienswijze op het op te leggen terugkeerbesluit. Tijdens dat gehoor heeft eiser zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Voor het verdere procesverloop wordt verwezen naar de inleiding van deze uitspraak.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgrond van eiser.
4. Eiser voert aan dat in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn medische situatie. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het gehoor van 15 augustus 2024 heeft gesteld dat hij onder behandeling staat bij zijn huisarts, dat hij blaaskanker en longontsteking heeft en dat hij last heeft van zijn hart. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser zijn (gestelde) medische situatie niet nader heeft onderbouwd met verifieerbare en objectieve gegevens. De minister heeft mogen vinden dat hij uit eisers verklaring tijdens het gehoor dat hij zal terugkeren naar Marokko heeft mogen afleiden dat de medische omstandigheden voor eiser geen belemmering vormen om aan de vertrekplicht te voldoen. De overige verklaringen van eiser tijdens dat gehoor bieden geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.
5. In beroep heeft eiser de stelling over zijn medische situatie evenmin met objectieve stukken onderbouwd. Ook overigens heeft hij niet nader geconcretiseerd in welk opzicht de minister geen rekening heeft gehouden met zijn medische situatie en welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.S. Arjun Sharma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op25 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.