Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:18611
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,011 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.1276
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , [V-Nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. L.T.M. Hooijmans),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres, mede namens haar kinderen, voor verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf bij familie- of gezinslid’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiseres heeft, mede namens haar kinderen, een aanvraag ingediend voor verlening van een mvv voor het doel ‘Verblijf bij familie- of gezinslid’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 december 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [referent] als referent en
J. Ankoma als tolk in de taal Twi. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Achtergrond
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1975 en heeft de Ghanese nationaliteit. Referent is geboren op [geboortedatum 2] 1950 en heeft de Nederlandse nationaliteit. De aanvraag is mede namens de twee minderjarige kinderen van eiseres ingediend. De kinderen van eiseres komen alle twee uit een eerdere relatie. Eiseres woont met haar kinderen in Ghana en referent woont in Nederland. Eiseres en referent hebben elkaar in 2017 leren kennen en zijn in 2018 met elkaar getrouwd.
Het bestreden besluit
4. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister de aanvraag van eiseres en haar kinderen afgewezen. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres niet aan het inburgeringsvereiste voldoet en niet voor vrijstelling daarvan in aanmerking komt.
Inburgeringsvereiste
5.1.
Eiseres stelt dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod als bedoeld in artikel 14 van het EVRM en met de Gezinsherenigingsrichtlijn en verwijst naar de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 april 2024. Verder stelt eiseres subsidiair dat zij ontheven dient te worden van de inburgeringsplicht omdat zij voldoende inspanningen heeft gedaan om de examens te halen.
5.2.
Ten aanzien van de afwijzing van een aanvraag voor een mvv, enkel op grond van het inburgeringsvereiste heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag in bovengenoemde uitspraak overwogen dat een dergelijk besluit discriminatoir is, want in strijd met artikel 2, eerste lid, onder a, van het IVUR, artikel 14 van het EVRM, artikel 1, eerste lid van het 12e Protocol bij het EVRM, artikel 21, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
5.3.
Gelet op bovengenoemde uitspraak is de rechtbank met eiseres van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De minister is niet op zitting verschenen om haar standpunt met betrekking tot de uitspraak van de meervoudige kamer toe te lichten en heeft ook niet gereageerd op het beroepschrift. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen en is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 14 december 2024 en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken. Deze beroepsgrond slaagt.
5.4.
Daarnaast overweegt de rechtbank ten aanzien van het subsidiaire beroep van eiseres op de ontheffing van de inburgeringsplicht, dat door de minister niet is weersproken dat eiseres heel veel tijd heeft besteed aan school. In totaal heeft eiseres ruim 700 uur Nederlandse les gevolgd. Referent is tijdens de hele procedure consequent geweest in zijn stelling dat eiseres de examens nooit gaat halen ondanks haar inspanningen. Tijdens zijn verblijf in Ghana en via whatsapp heeft referent eiseres wel geprobeerd te helpen met de voorbereiding voor de examens en met het bijbrengen van de Nederlandse taal maar ook dit was niet voldoende. Zoals blijkt uit het verslag van de hoorzitting weet referent ook niet meer hoe eiseres het anders zou moeten doen. Gelet hierop kan de rechtbank de minister niet volgen in het standpunt dat eiseres zich niet zou inzetten om te slagen voor de examens en is de rechtbank van oordeel dat zij tot nog toe heeft gedaan wat zij kan om zich voor te bereiden op de overige twee onderdelen van het examen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarom onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet voor ontheffing van de inburgeringsplicht in aanmerking komt.
Conclusie
6.1.
Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 december 2023;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.