Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:18591
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,208 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-1403 (bodemprocedure) en FA RK 25-1405 (voorlopige voorzieningenprocedure)
Zaaknummers: C/09/680809 (bodemprocedure) en C/09/680813 (voorlopige voorzieningenprocedure)
Datum beschikking: 11 juli 2025
Gezag, omgang en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Beschikking op het op 7 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Maastricht-Airport.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader]
,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: eerst mr. M.T. Wernsen te Den Haag, nu mr. S. Bhulai te Den Haag.
Procedure
Bodemprocedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift;
het F9 formulier van 2 mei 2025 met bijlagen, van de moeder;
het F9 formulier van 9 mei 2025 van de moeder;
de e-mail berichten van 6 juni 2025 met bijlagen van de moeder;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
het F9 formulier van 12 juni 2025 met bijlagen van de vader;
het verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken.
Voorlopige voorzieningenprocedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift;
het F9 formulier van 11 maart 2025 met bijlagen van de moeder;
het F9 formulier van 14 april 2025 met als bijlage een aanvullend verzoek van de moeder;
het F9 formulier van 14 mei 2025 van de moeder;
het F9 formulier van 23 mei 2025, houdende de intrekking van het alimentatieverzoek in de bodemprocedure, van de moeder;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
De minderjarige [de minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 13 juni 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat en A. Visser, tolk en de vader met zijn advocaat en S. Egei, tolk en namens de Raad voor de Kinderbescherming [naam] .
Na de zitting zijn in de voorlopige voorzieningenprocedure de volgende stukken ontvangen:
- de F9 formulieren van 3 juli 2025 van de moeder;
- het F9 formulier van 7 juli 2025 van de vader.
Verzoek en verweer
Bodemprocedure
De moeder verzoekt, na wijziging:
de omgangsregeling zoals deze is bepaald bij beschikking van de [land] rechtbank d.d. 2021 te wijzigen op zodanige wijze dat de vader en [de minderjarige] regelmatig contact met elkaar hebbenop een voor [de minderjarige] passende wijze bestaande uit omgang maximaal eenmaal per maand met een overnachting in Den Haag van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen regeling, waarbij tevens wekelijks belcontact op dinsdag om 18.00 uur zal plaatsvinden;
een vakantieregeling te bepalen van een week in de zomervakantie alsmede in de even jaren in de kerstvakantie van 24 december 17.00 uur tot 26 december 19.00 uur alsmede vier dagen in de voorjaarsvakantie in de oneven jaren;
te bepalen dat de moeder gerechtigd is om met [de minderjarige] in Nederland te blijven totdat hij de middelbare school heeft afgemaakt, subsidiair vervangende toestemming aan de moeder te verlenen voor het verblijf van [de minderjarige] in Nederland totdat hij de middelbare school heeft afgemaakt;
voor recht te verklaren dat de vrouw eenhoofdig gezag uitoefent over [de minderjarige] ;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:
te bepalen dat partijen gezamenlijk belast zijn met het gezag over [de minderjarige] ;
te bepalen dat de moeder gerechtigd is om met [de minderjarige] in Nederland te blijven tot de einddatum van de huidige verlenging van haar dienstverband, dan wel te bepalen dat [de minderjarige] na afloop van het schooljaar 2024-2025 zal verhuizen naar [land] ;
bij voortzetting van het hoofdverblijf van [de minderjarige] in Nederland een omgangsregeling vast te stellen voor de periode waarin [de minderjarige] in [plaats] woont en de vader in [land] woont waarbij de vader en [de minderjarige] in ieder geval iedere twee weken omgang zullen hebben van vrijdag tot en met maandag alsmede de helft van de schoolvakanties en te bepalen dat [de minderjarige] en de vader iedere dag (telefonisch) contact zullen hebben; en de als de vader doordeweeks kan reizen, te bepalen dat de vader doordeweeks contact met [de minderjarige] kan onderhouden door [de minderjarige] van school te halen en naar school te brengen op 2 tot 2 werkdagen per week, voor zover hij daartoe in staat is;
bij voortzetting van het hoofdverblijf van [de minderjarige] in Nederland tevens een omgangsregeling met opbouwregeling vast te stellen voor de periode na verhuizing van de vader naar [plaats] , zodat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] geleidelijk verder uitgebouwd kan worden en er toegewerkt kan worden naar een co-ouderschap waarbij de zorg voor [de minderjarige] 50-50 wordt verdeeld tussen partijen;
te bepalen dat na 30 juni 2025 de kosten van vaderlijke reizen naar [de minderjarige] voor rekening komen van beide ouders, inclusief reis- en verblijfkosten in Nederland; deze moeten door de moeder aan het einde van de desbetreffende maand achteraf aan de vader worden betaald op basis van de voor de vader opgegeven kosten en de gebruikelijke verblijfstarieven in Den Haag;
een vakantieregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] van 25 juli 2025 tot 11 augustus 2025 en [geboortedatum] 2025 van 14.00 uur tot 20.00 uur, en van 17 augustus tot 26 augustus 2025 bij de man in [land] zal verblijven, waarbij [de minderjarige] op 25 juli 2025 wordt overgedragen in [land] bij de vader, op 11 augustus 2025 bij de moeder in [land] , op 17 augustus 2025 bij de vader in [land] en waarbij hij door de vader op 26 augustus op het vliegveld in [land] aan de moeder wordt overgedragen;
dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank juist acht in het belang van [de minderjarige] en uitvoerbaar bij voorraad.
Voorlopige voorzieningenprocedure
De moeder verzoekt, na wijziging:
de omgangsregeling zoals deze is bepaald bij beschikking van de [land] rechtbank d.d. 2021 te wijzigen op zodanige wijze dat de vader en [de minderjarige] regelmatig contact met elkaar hebbenop een voor [de minderjarige] passende wijze bestaande uit omgang van maximaal eenmaal per maand met een overnachting in [plaats] van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen regeling, waarbij tevens wekelijks belcontact op dinsdag om 18.00 uur zal plaatsvinden;
een vakantieregeling te bepalen van een week in de zomervakantie alsmede in de even jaren omgang in de kerstvakantie van 24 december 17.00 uur tot 26 december 19.00 uur alsmede in de voorjaarsvakantie in de oneven jaren;
primair: te bepalen dat [de minderjarige] van 29 juli tot 8 augustus 2025 bij de vader is en subsidiair: te bepalen dat [de minderjarige] van 29 juli tot 8 augustus 2025 en van 18 tot 22 augustus 2025 bij de vader is;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , [land] .
- [de minderjarige] woont bij de moeder in Nederland.
Beoordeling
Rechtsmacht
De advocaat van de vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak verwezen moet worden naar de rechtbank in [land] . De rechtbank heeft al op zitting laten weten daar geen aanleiding toe te zien, omdat [de minderjarige] al sinds 2021 in Nederland woont en er hier ook al meerdere instanties bij hem betrokken zijn. De rechtbank in Nederland heeft om die reden beter zicht op [de minderjarige] dan de rechtbank in [land] .
Op zitting heeft de advocaat van de vader vervolgens nog het standpunt ingenomen dat niet de rechtbank in Nederland bevoegd is, maar de rechtbank in [land] , omdat het hoofdverblijf van [de minderjarige] zich in [land] zou bevinden. De vader voert daartoe aan dat [de minderjarige] alle vakanties in [land] doorbrengt, dat de familie en vrienden van [de minderjarige] in [land] wonen en dat de moeder feitelijk in [land] werkt, omdat de ambassade van [land] in Nederland, [land] grondgebied is.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ een feitelijk begrip is dat zich laat bepalen aan de hand van de concrete feitelijke omstandigheden van het geval. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een staat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Uit rechtspraak van het Europese hof blijkt dat de gewone verblijfplaats van een kind overeenkomt met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt. De rechtbank moet bepalen waar zich dat centrum bevond op het tijdstip van de indiening van het verzoek. In dat kader moet in het algemeen worden aangeknoopt bij factoren als de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van de verschillende betrokken lidstaten, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, alsook de familiale en sociale banden die het kind in die lidstaten heeft.
De rechtbank is van oordeel de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is en dat om die reden de Nederlandse rechter bevoegd is om beslissingen te nemen in deze zaak. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat het leven van [de minderjarige] zich in Nederland concentreert, omdat [de minderjarige] al sinds 2021 samen met zijn moeder en grootmoeder moederszijde in Nederland woont, hij in Nederland naar school gaat en de Nederlandse hulpverleningsinstanties betrokken bij hem zijn. Het grootste gedeelte van het leven van [de minderjarige] speelt zich dan ook af in Nederland.
Voorlopige voorzieningenprocedure
Toepasselijk recht
De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Beoordeling
Op grond van het eerste lid van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.
Reguliere omgangsregeling
Zoals in het hierna volgende zal blijken, zal de rechtbank in de bodemprocedure een raadsonderzoek gelasten. Om die reden ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding om vooruitlopend op dat onderzoek al een wijziging in de omgangsregeling, zoals partijen die nu uitvoeren, aan te brengen, waarbij, zo begrijpt de rechtbank, de vader [de minderjarige] om de twee á drie weken ziet. De rechtbank zal het verzoek van de moeder op dit punt daarom afwijzen.
Vakantieregeling
Zomervakantie 2025
Na de zitting hebben partijen gedeeltelijk overeenstemming over de zomervakantie 2025 bereikt. Deze gedeeltelijke overeenstemming houdt in dat [de minderjarige] van 19 juli 2025 tot 29 juli 2025 bij de moeder is en van 29 juli 2025 tot 8 augustus 2025 bij de vader, waarbij partijen ervoor zorgen dat [de minderjarige] op 29 juli 2025 in [land] aan de vader wordt overgedragen. De rechtbank zal aldus bepalen. De resterende zomervakantie periode, waaronder ook de verjaardag van [de minderjarige] op [datum] 2025, is tussen partijen in geschil gebleven,
De rechtbank zal alles afwegende voor de resterende zomervakantie periode bepalen dat [de minderjarige] :
van 8 augustus 2025 tot 12 augustus 14.00 uur bij de vader is;
van 12 augustus 2025 14.00 uur tot 17 augustus 2025 bij de moeder is;
van 17 augustus 2025 tot en met 25 augustus bij de vader is.
De moeder heeft aangegeven dat zij wil dat [de minderjarige] ook op 9,10 en 11 augustus 2025 bij haar is, omdat zij ook weekenden met [de minderjarige] wil doorbrengen in de zomervakantie. De rechtbank ziet daar geen goede reden voor, omdat [de minderjarige] in de zomervakantie alle dagen vrij is en de moeder niet heeft uitgelegd waarom die weekenden in de zomervakantie van belang zijn.
Overige vakanties
De rechtbank ziet in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure nog geen aanleiding om de verdeling van de vakanties die daarna komen, vast te stellen. Partijen hebben daarover al een afspraak gemaakt in de procedure in [land] en niet is gebleken dat partijen al getracht hebben om in onderling overleg tot een regeling te komen. Het is eerst de verantwoordelijkheid van de ouders om een regeling af te spreken. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder op dit punt daarom af.
Bodemprocedure
Verklaring voor recht/gerechtigd om in Nederland te blijven dan wel terugverhuizen naar [land]
Toepasselijk recht
De rechtbank zal naar Nederlands recht beslissen op het verzoek om een voor recht te verklaren dat de moeder het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] uitoefent en het verzoek om te bepalen dat de moeder gerechtigd is om met [de minderjarige] in Nederland te blijven.
Beoordeling
De vader heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat in het najaar van 2020 het [land] Hooggerechtshof besloten heeft om het eenhoofdig gezag aan de moeder toe te kennen. Partijen hebben nagelaten om een kopie van deze uitspraak inclusief vertaling over te leggen. Voor het uitspreken van een verklaring voor recht moet er voldoende belang bestaan en het belang bij een zodanig verzoek is in eerste plaats naar zijn aard gelegen in het belang om de tussen betreffende partijen eventuele onzekerheden over hun rechtsverhouding op te heffen. De rechtbank constateert allereerst dat er blijkbaar geen onzekerheid is tussen partijen over het feit dat de moeder met eenhoofdig gezag is belast, nu beide partijen hiervan uitgaan. Daarnaast kan de rechtbank geen verklaring voor recht af geven, omdat de rechtbank niet de (vertaalde) uitspraak tot haar beschikking heeft en dus ook geen constatering kan doen over wat die rechtsverhouding is. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om afgifte van een verklaring voor recht daarom af.
De rechtbank wijst ook het verzoek van de moeder af om te bepalen dat zij gerechtigd is om met [de minderjarige] in Nederland te blijven. De moeder is schijnbaar bevoegd om die beslissing zelf te nemen nu zij schijnbaar al belast is met het eenhoofdig gezag.
Daarmee wijst de rechtbank ook het zelfstandig verzoek van de vader af om te bepalen dat de moeder gerechtigd is om met [de minderjarige] in Nederland te blijven tot de einddatum van de huidige verlenging van haar dienstverband, dan wel te bepalen dat [de minderjarige] na afloop van het schooljaar 2024-2025 zal verhuizen naar [land] . De moeder woont inmiddels al vier jaar in Nederland zodat het beroep van de advocaat van de vader op de uitspraak van de Hoge Raad naar de rechtbank begrijpt de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513 niet slaagt.
Gezamenlijk gezag
Toepasselijk recht
De rechtbank zal naar Nederlands recht beslissen op het verzoek om de vader om te bepalen dat partijen gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast zijn.
Beoordeling
Uit artikel 1:253c, eerste en tweede lid, BW volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Dit verzoek wordt, als de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De vader heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij samen met de moeder het gezamenlijk gezag kan uitoefenen. Dit is immers het wettelijk uitgangspunt en het is goed voor de ontwikkeling van [de minderjarige] dat niet alleen de moeder maar ook de vader een ouderrol in zijn leven vervult, aldus de vader. De moeder voert verweer.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de ouders al jarenlang verwikkeld zijn in een harde strijd met elkaar, ook al in [land] voordat de moeder naar Nederland verhuisde. Over en weer zijn er (strafrechtelijke) aangiftes gedaan en de vader heeft recent in [land] nog een vordering ingediend tot schadevergoeding wegens ouderverstoting. Verder is gebleken dat iedere vorm van communicatie tussen de ouders ontbreekt. Uit de stukken blijkt dat er niet de vrees is dat [de minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de ouders, maar dat [de minderjarige] al in die situatie is. Met deze stand van zaken ziet rechtbank geen mogelijkheid om ouders tezamen met het gezag te belasten. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vader op dit punt af.
Omgang
Toepasselijk recht
De rechtbank zal naar Nederlands recht beslissen op de verzoeken ten aanzien van de omgangsregeling.
Beoordeling
Beide partijen hebben om een wijziging in de omgangsregeling verzocht. De moeder werkt sinds augustus 2021 op de [land] ambassade in [plaats] . Zij is toen met [de minderjarige] vanuit [land] naar Nederland verhuisd. [de minderjarige] gaat in [plaats] naar de Europese school.
De moeder heeft nu contractverlenging tot augustus 2026 gekregen en wil daarna ook in [plaats] blijven wonen en werken. [de minderjarige] is gediagnosticeerd met Autisme Spectrum Stoornis (ASS). Volgens de moeder ervaart [de minderjarige] de weekenden met vader als zeer stressvol en geeft hij zelf ook aan een andere omgangsregeling en belregeling met de vader te willen. De vader woont in [land] en wenst eveneens een wijziging van de omgangsregeling. Hij maakt daarbij onderscheid voor de situatie dat [de minderjarige] nog in Nederland woont en de situatie dat [de minderjarige] terugverhuist naar [land] . De vader vindt het niet in het belang van [de minderjarige] dat hij voor langere tijd in Nederland blijft wonen.
Zoals de rechtbank al met de ouders op de zitting heeft besproken, vindt de rechtbank het noodzakelijk om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten. De rechtbank maakt zich ernstig zorgen om de strijd tussen de ouders en hoe dit zijn weerslag heeft op [de minderjarige] . De rechtbank geeft de vader in dat verband mee om de WhatsApp- en belmomenten met [de minderjarige] niet te veel te laten zijn, omdat uit de stukken blijkt dat het voor [de minderjarige] nu te veel en te overweldigend is.
Er zijn al veel instanties die betrokken zijn of zijn geweest bij [de minderjarige] , zoals Veilig Thuis, Kracht voor Jeugd & Gezin en Impegno. Uit de stukken van deze hulpinstanties blijkt dat [de minderjarige] last heeft van de strijd tussen zijn ouders. Veilig Thuis spreekt ook van fysieke en emotionele kindermishandeling vanuit de vader.
De moeder geeft aan dat de vader niet kan aansluiten bij [de minderjarige] en dat dat de reden is dat [de minderjarige] de vader minder wil zien. De vader stelt zich echter op standpunt dat de moeder en ook de grootmoeder (moederszijde) van [de minderjarige] , [de minderjarige] tegen hem opzetten en dat ouderverstoting ten grondslag ligt aan het feit dat [de minderjarige] minder contact met hem wil hebben.
De rechtbank vindt het van belang dat ten behoeve van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming gesproken kan worden met al de hulpverleningsinstanties en ook met de school van [de minderjarige] . De rechtbank spreekt de hoop uit dat dan kan blijken welke omgangsregeling nu het meest in belang van [de minderjarige] is en welke hulpverlening [de minderjarige] dan wel zijn ouders mogelijk nog nodig hebben.
De rechtbank zal de Raad daarom vragen om onderzoek te doen en aan haar te adviseren, waarbij in ieder geval de volgende vragen dienen te worden beantwoord:
Welke omgangsregeling met de vader is volgens de Raad het meest in het belang van [de minderjarige] en welke belmomenten zijn verstandig tussen de vader en [de minderjarige] ?
Is (nadere) hulpverlening voor de vader, de moeder en/of [de minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
Dictum
Verzoek vader met betrekking tot de kosten van het reizen naar [de minderjarige] in Nederland
Toepasselijk recht
De rechtbank zal naar Nederlands recht beslissen op dit verzoek.
Beoordeling
De vader heeft dit verzoek in het lichaam van zijn verweerschrift tevens zelfstandig verzoek op geen enkele wijze benoemd dan wel onderbouwd. Het verzoek komt in het petitum voor de rechtbank uit de lucht vallen. Nu het verzoek bovendien zeer samenhangt met het verzoek om kinderalimentatie dat door de moeder is ingetrokken, wijst de rechtbank dit niet onderbouwde verzoek van de vader af.
Dictum
De rechtbank:
in de voorlopige voorzieningenprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/680813 en FA RK 25-1405:
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , [land] :
van 19 juli 2025 tot 29 juli 2025 bij de moeder is;
van 29 juli 2025 tot en met 12 augustus 2025 tot 14.00 uur bij de vader is;
van 12 augustus 2025 14.00 uur tot 17 augustus 2025 bij de moeder is;
van 17 augustus 2025 tot en met 25 augustus bij de vader is,
met de bepaling dat partijen ervoor zorgen dat [de minderjarige] op 29 juli 2025 in [land] aan de vader wordt overgedragen;
verklaart deze vakantieregeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/680809 en FA RK 25-1405:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , [land] met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (advocaat vader) en [telefoonnummer 2] (advocaat moeder);
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot 1 februari 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.F. de Nijs, kinderrechter, bijgestaan door
mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting
van 11 juli 2025.