Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:18548
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,434 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2863
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [woonplaats] , eisers
en
Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder
(gemachtigde: mr. D. de Borst-Mok).
Procesverloop
Met het primaire besluit van 9 augustus 2023 heeft verweerder met ingang van 1 september 2023 de dochter van eisers aangemerkt als kostendelende medebewoner en de maandnorm van de bijstandsuitkering van eisers op grond van de Participatiewet (Pw) gewijzigd naar de kostendelersnorm met vier kostendelende medebewoners.
Met de beslissing op het bezwaar van eisers (het bestreden besluit)van 8 februari 2024 is verweerder bij dat besluit gebleven met aanvulling van de motivering.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers delen hun woning met twee inwonende kinderen van ouder dan 27 jaar. Omdat de dochter per 1 september 2023 is afgestudeerd, heeft verweerder haar vanaf dat moment (ook) aangemerkt als kostendelende medebewoner. Eisers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. De commissie bezwaarschriften heeft advies uitgebracht, namelijk dat – kort samengevat – op grond van de Pw niet kan worden afgeweken van de kostendelersnorm. Verweerder heeft dit advies overgenomen in het bestreden besluit en het primaire besluit gehandhaafd.
Wat vinden eisers?
4. Eisers stellen dat de commissie bezwaarschriften niet conform de wettelijke voorschriften heeft beslist en dat het besluit daarom onjuist en niet rechtsgeldig is. Er was volgens eisers geen sprake van een hoorzitting met drie personen, waarvan één voorzitter en twee onafhankelijke leden. Volgens eisers was hun consulent niet aanwezig en was er geen sprake van hoor- en wederhoor. Verder hebben eisers aangevoerd dat verweerder tweemaal de beslistermijn heeft overschreden en zonder overleg het door hen ingediende bezwaarschrift in reactie op het bestreden besluit (tweede bezwaarschrift) heeft doorgestuurd naar de rechtbank als zijnde beroepsschrift. Tot slot beroepen eisers zich op de hardheidsclausule.
Wat oordeelt de rechtbank?
5. Allereerst overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht is om geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is onverwijld door te zenden naar dat orgaan. Dit betekent dat verweerder de stukken die niet bedoeld zijn voor verweerder omdat een ander bestuursorgaan daarover hoort te beslissen, zo snel mogelijk moet doorsturen naar het bestuursorgaan voor wie de stukken wel bedoeld zijn. De afzender – degene die de stukken ter behandeling heeft ingediend - dient daarvan op de hoogte te worden gebracht.
5.1.
Aangezien bezwaar niet meer open stond voor eisers, omdat zij reeds de bezwaarfase hadden doorlopen, stond enkel beroep open bij de bestuursrechter tegen het bestreden besluit. Tegen een besluit waartegen iemand al een keer bezwaar heeft ingesteld, kan namelijk niet voor een tweede maal bezwaar worden ingesteld. Dit heeft verweerder ook benoemd in het bestreden besluit. Door het tweede bezwaarschrift van eiser door te sturen naar de rechtbank als zijnde beroepschrift en eisers hiervan op de hoogte te stellen, heeft verweerder voldaan aan de doorzendplicht zoals beschreven in 5.
6. Ten aanzien van de commissie bezwaarschriften stelt de rechtbank vast dat er sprake was van een ambtelijke (interne) commissie.
6.1.
Uit artikel 7:2, eerste lid, van de Awb volgt dat voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, de belanghebbenden in de gelegenheid wordt gesteld om te worden gehoord. Met andere woorden, in de bezwaarfase geldt een hoorplicht voor verweerder.
6.2.
Artikel 7:5 van de Awb bepaalt dat – voor zover hier relevant – het horen geschiedt door een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, of meer dan een persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder conform deze artikelen heeft gehandeld, aangezien beide leden van de adviescommissie niet betrokken waren bij het primaire besluit. Dit is ook de reden dat de consulent van eisers niet aanwezig was, omdat die wel betrokken was bij het primaire besluit. Ook zijn eisers gehoord en is er aldus voldaan aan de hoorplicht.
6.4.
Voorts overweegt de rechtbank dat, anders dan eisers stellen, verweerder niet verplicht was tot het hebben van een adviescommissie bestaande uit een voorzitter en ten minste twee leden. Voor zover eisers hiermee hebben willen verwijzen naar artikel 7:13 van de Awb is dit artikel slechts van toepassing op een commissie die op zo’n manier is samengesteld, omdat er dan aanvullende regels gelden. Artikel 7:13 van de Awb is dan ook geen wettelijk voorschrift voor het aantal leden en voorzitter en is in dit geval niet van toepassing.
7. Ten aanzien van de overschrijding van de beslistermijn stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn is overschreden. Verweerder heeft dit namelijk erkend en heeft hiervoor excuses gemaakt aan eisers. De rechtbank overweegt verder als volgt.
7.1.
Vastgesteld kan worden dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 7:10, vierde lid, van de Awb, omdat na de verdaging van de beslistermijn op 30 oktober 2023 verder uitstel niet mogelijk was op grond van de wet. Artikel 7:10, vierde lid, van de Awb geeft namelijk slechts een drietal gevallen waarin verder uitstel mogelijk is en gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake was. Deze schending leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit. De termijnen die in artikel 7:10 van de Awb worden genoemd zijn namelijk geen fatale (dwingende) termijnen, maar termijnen van orde. Aan de overschrijding van een termijn van orde verbindt de Awb geen consequenties. Bij overschrijding van de termijnen in artikel 7:10, eerste en tweede lid, van de Awb, kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep bij de rechtbank worden ingesteld. Overschrijding van deze termijnen betekent daarom niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is en op die grond voor vernietiging in aanmerking komen. Er is namelijk geen wettelijk voorschrift dat bepaalt dat in een dergelijk geval het desbetreffende besluit niet in stand kan blijven.
8. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule dit door eisers ter zitting is toegelicht als een verzoek om maatwerk.
8.1.
De Pw voorziet niet in een hardheidsclausule om af te wijken van toepassing van de kostendelersnorm in het geval van eisers. Evenmin is er ruimte om af te wijken op basis van de persoonlijke omstandigheden. Eisers hebben bovendien niet onderbouwd waarom er sprake zou zijn van onevenredige benadeling door toepassing van de kostendelersnorm.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van een onevenredige benadeling door het besluit gezien de persoonlijke omstandigheden van eisers.
9. Uit vorenstaande volgt dat het beroep niet slaagt.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2025.
griffier
rechter
de rechter is verhinderd om deze
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.