Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:18461
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,166 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.49387 en NL24.49388
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 22 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 december 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B.J. Kane als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Senegalese nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft samen met zijn halfbroer een winkel gehad dat bouwartikelen verkocht. In 2020 is deze winkel failliet gegaan. Dit heeft tot aanhoudende ruzies tussen eiser en zijn halfbroer geleid, geïnitieerd door zijn halfbroer omdat hij eiser ervan verdenkt zich geld te hebben toegeëigend. Dit heeft eind 2021/begin 2022 geleid tot een fysieke aanval op eiser door zijn halfbroer. Als gevolg daarvan heeft eiser in 2022 geprobeerd in Burkina Faso een visum aan te vragen voor Frankrijk maar dit is niet gelukt. Daarnaast heeft eiser in 2023 een visum aangevraagd voor China, maar deze is door iemand – vermoedelijk door zijn halfbroer – weggemaakt. Een tussentijdse verzoeningspoging door eisers oom heeft ook geen succes gehad. Nadat eisers halfbroer hem tijdens hout verzamelen heeft geprobeerd aan te vallen met aan machete is eiser gevlucht. Bij terugkeer vreest eiser om door zijn halfbroer gedood te worden.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit eiser asielrelaas herleid. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. De problemen met zijn halfbroer worden niet geloofd. Verweerder stelt zich hiervoor op het standpunt dat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo wijst verweerder op de tijdsperiode van meerdere jaren tussen het faillissement in 2020 en het door eiser genoemde ergste punt in de ruzies eind 2021/begin 2022, en eisers uiteindelijke vertrek in 2024. Eiser heeft tussentijds nog jaren in Senegal geleefd, inclusief woning en werk. Dit geeft daarbij ook geen blijk van dat de mishandeling van eiser eind 2021/begin 2022 de directe aanleiding is geweest voor zijn vertrek. Verder vindt verweerder dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over tot wanneer eiser nog met zijn halfbroer heeft gewerkt en vindt verweerder het bevreemdend dat eiser weer met hem is gaan samenwerken na de ruzies en bedreigingen. Daarnaast werpt verweerder tegen dat de halfbroer een tijd weg is geweest en geen contact met eiser heeft gehad, wat niet duidt op het bestaan van de problemen. Ook heeft eiser wisselend verklaard over de aanleiding om in Burkina Faso een visum voor Frankrijk aan te vragen. Daarbij verwijt verweerder eiser dat hij in zijn zienswijze nieuwe verklaringen geeft die niet eerder zijn genoemd en dat deze op punten tegenstrijdig zijn met eisers eerdere verklaringen. Verder komt eiser uit een veilig land van herkomst en voor eiser geldt ook geen uitzondering. Van een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade is dan ook geen sprake. Voor wat betreft de procedure werpt verweerder in reactie op de zienswijze van eiser tegen dat de aanmeldfase niet van toepassing is geweest en de juiste procedure is gevolgd. De asielaanvraag van eiser wordt verder afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser uit een veilig land van herkomst komt en verklaringen heeft afgegeven die zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig. Eiser wordt tot slot een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is van mening dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen. Hiervoor voert eiser aan dat verweerder zijn eigen procedure uit werkinstructie (WI) 2024/8 niet heeft gevolgd. Zo hebben dag 2 en 3 van Spoor 2 in de grensprocedure niet plaatsgevonden en is eiser niet voorbereid op zijn gehoor. Ook is zijn gemachtigde pas op 3 december 2024 aan eiser gekoppeld, wat zeer laat is, en is er maar één uur gesprekstijd geweest. Daarnaast is er onvoldoende tijd geweest om correcties en aanvullingen in te dienen waarvoor eiser verwijst naar zijn brief van 1 december 2024. Eiser ziet in deze gang van zaken een schending van artikelen 12, 18, 19 en 31, negende lid, van de Procedurerichtlijn. Verder heeft er ten onrechte geen onderzoek door MediFirst plaatsgevonden om te onderzoeken of eiser bij voorbaat wel gehoord kon worden. Vooral gezien de traumatische ervaringen die eiser heeft gehad waardoor hij niet volledig heeft kunnen verklaren en het feit dat hij analfabeet is. Daarnaast wekt verweerder ten onrechte de suggestie dat eiser drie jaar heeft gewacht voor vertrekt terwijl hij twee eerdere vertrekpogingen heeft gedaan naar Frankrijk en China, voordat hij uiteindelijk in 2024 via Dakar is gevlucht. Daarbij is de periode sinds 2021 niet zonder incidenten geweest en betreft de aanleiding voor vertrek een opeenstapeling van problemen tot aan de moordpoging in 2024. Dat eiser het incident op de trap eind 2021 als “ergste uit mijn verhaal” heeft beschreven komt voort uit de realisatie dat zijn broer hem dood wilde hebben. Verder miskent verweerder de context van waarom eiser met zijn broer is blijven samenwerken na 2021. Ook herleidt verweerder ten onrechte een gebrek aan asielgerelateerde problemen omdat eiser heeft gezegd “nooit meer naar huis te gaan.” Tot slot moet eiser worden gezien onder het groepenbeleid ten aanzien van Senegal. De Senegalese autoriteiten leven de rechten en vrijheden van mensen namelijk niet volledig na. Daarbij kan eiser de bescherming van de autoriteiten niet inroepen vanwege de contacten van zijn broer binnen de autoriteiten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 januari 2025 is de vraag aan de orde geweest of de minister een land kan aanwijzen als veilig land van herkomst als zij een groep uitzondert van die aanwijzing. De rechtbank heeft geoordeeld dat het uitzonderen van groepen zich niet verdraagt met de aanwijzing van een land als veilig in de zin van de Procedurerichtlijn. De rechtbank heeft artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het Voorschrift vreemdelingen 2000 (Vv) daarom onverbindend is verklaard.
5.1.
Ter zitting heeft de rechtbank partijen deze uitspraak voorgehouden en partijen gevraagd of die uitspraak consequenties heeft voor deze zaak, nu verweerder Senegal in deze zaak als veilig land van herkomst heeft aangemerkt terwijl er groepen zijn uitgezonderd van deze aanwijzing.
5.2.
Verweerder heeft voorop gesteld dat hij vindt dat de rechtbank hiermee buiten het geschil treedt omdat eiser geen beroep op deze uitspraak heeft gedaan. Daarnaast staat deze uitspraak volgens verweerder nog niet in rechte vast omdat hij hiertegen hoger beroep heeft ingesteld. Desalniettemin stelt verweerder zich in reactie op de vragen van de rechtbank primair op het standpunt dat hij veilig land van herkomst kan tegenwerpen en dat eiser niet valt onder een van de uitzonderingsgroepen uit paragraaf C7/1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers asielrelaas terecht ongeloofwaardig is bevonden.
5.3.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitspraak van 8 januari 2025 meegenomen kan worden in deze procedure. Hij heeft al in beroep aangegeven dat verweerder Spoor 2 binnen de grensprocedure onzorgvuldig heeft toegepast en dat hij van mening is dat hij onder het groepenbeleid valt. Hierin ziet eiser voldoende aanknopingspunten om de uitspraak bij deze zaak te betrekken nu dit ook raakt op de toe te passen procedure.
5.4.
De rechtbank ziet aanleiding om de uitspraak van 8 januari 2025 wel bij deze uitspraak te betrekken.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat het besluit een zorgvuldigheidsgebrek en motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).
6.3.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening wordt verweerder in de proceskosten veroordeeld. Deze vergoeding bedraagt € 907,- (1 punt voor het verzoekschrift met een waarde van € 907,- per punt met een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vw.
Zie artikel 3.109ca, lid 1, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:172, r.o. 7 e.v.
Op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
Vluchtelingenwerk Nederland.
Zie artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, en punt 22 van de preambule van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking).