Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:18451
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,845 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.11198 en NL.23.15063
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1987, van de Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder hierna te noemen: de minister.
(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
In het besluit van 20 april 2023 heeft de minister de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
In het bestreden besluit van 14 februari 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is bericht van verhindering niet verschenen. De gemachtigde van de minister heeft deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling
2.1.
In haar uitspraak van 7 november 2024 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats een beroep tegen het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij Turkse onderdanen ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft in zijn beroepsgronden en zijn nadere reactie gepersisteerd bij zijn beroep dat het tegenwerpen van het zelfstandige mvv-vereiste bij Turkse onderdanen niet is toegestaan. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om nu anders te oordelen dan op 7 november 2024. Dat legt zij hieronder uit.
Achtergrond
3. Eiser drijft sinds 1 december 2022 de eenmanszaak ‘ [naam] ’. Op 24 januari 2023 diende hij een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’. De aanvraag heeft niet tot de verlening van de gevraagde vergunning geleid.
Besluitvorming
4. In het besluit van 20 april 2023, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister deze aanvraag afgewezen omdat eiser niet over een geldige mvv beschikt. Volgens de minister is het op 1 oktober 2022 ingevoerde mvv-vereiste voor Turkse onderdanen een aanscherping als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol (de standstillbepaling). Deze aanscherping vindt echter zijn rechtvaardiging in dwingende redenen van algemeen belang, deze is geschikt de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelen te waarborgen en zij gaat niet verder dan noodzakelijk is om deze doelen te verwezenlijken. Gelet hierop meent de minister dat zij het mvv-vereiste aan eiser mocht tegenwerpen. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste als genoemd in paragraaf B1/4.1 van de Vc. Eiser heeft namelijk geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die hiertoe aanleiding geven.
Juridisch kader
5. De minister kan op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afwijzen als de vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt. Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw wordt een dergelijke aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, als het betreft de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie. In artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb staat dat vreemdelingen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 of wiens uitzetting in strijd is met het Turks associatierecht. Het is daarbij aan de vreemdeling om eventuele bijzondere omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen.
Is er een wettelijke basis van het toepassen van het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen?
Standpunt eiser
6. Eiser betoogt dat de minister zijn aanvraag niet mocht afwijzen op de grond dat hij niet over een mvv beschikt. Eiser beroept zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 3 juni 2024. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat in paragraaf B1/4.1 van de Vc een zelfstandige inhoudelijke norm is geformuleerd om tot afwijzing van een aanvraag te komen. Voor deze in het beleid gecreëerde afwijzingsgrond op grond waarvan een Turkse onderdaan het mvv-vereiste wel kan worden tegengeworpen, is geen wettelijke basis. Artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb biedt hier volgens de rechtbank ’s-Hertogenbosch geen ruimte voor. De grondslag voor deze afwijzing ligt daarom uitsluitend in het beleid. Dat is op grond van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb niet toegestaan en daarom moet het beleid buiten toepassing worden gelaten.
Beoordeling
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat er wel een wettelijke basis bestaat voor het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij aanvragen van Turkse onderdanen voor een verblijfsvergunning. De rechtbank verwijst voor haar motivering naar voornoemde uitspraak van 7 november 2024. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de bevoegdheid tot afwijzing van een aanvraag voortvloeit uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De bevoegdheid tot afwijzing van de aanvraag wegens het ontbreken van een geldige mvv vloeit dan ook niet voort uit het beleid; het beleid geeft enkel weer hoe de minister beoordeelt of het tegenwerpen van het mvv-vereiste strijd oplevert met het Turkse associatierecht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Is het vereiste dat eiser moet beschikken over een mvv in strijd met de standstillbepaling?
Standpunt eiser
7. Eiser voert verder aan dat de invoering van het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen in strijd is met de standstillbepaling. Hij stelt in de eerste plaats dat geen sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. Ook betoogt eiser dat het mvv-vereiste niet evenredig is. Hij stelt dat deze maatregel niet geschikt is om het doel daarvan, het effectief beheer van migratiestromen te bereiken. Daarnaast meent eiser dat het mvv-vereiste verder gaat dan noodzakelijk is om de door de minister nagestreefde doelen te verwezenlijken. Eiser beroept zich verder op voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 7 november 2024. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de beperking die in het beleid is opgenomen voor bijzondere individuele omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat een vreemdeling moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, het wettelijk kader van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb te buiten gaat. Eiser stelt dat het voor hem niet mogelijk is om de aanvraag vanuit Turkije in te dienen. Hij heeft op dit moment een onderneming en een inreisverbod. Hij stelt dat het voor hem onmogelijk is de aanvraag voor een verblijfsvergunning vanuit Turkije in te dienen. De vennootschap onder firma van eiser zou ophouden te bestaan als hij naar Turkije vertrekt. De minister heeft deze omstandigheden ten onrechte niet als bijzondere individuele omstandigheden aangemerkt.
Beoordeling
8.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen zoals eiser een nieuwe beperking vormt als bedoeld in de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie mag een dergelijke nieuwe beperking alleen ingevoerd worden als deze gerechtvaardigd wordt door dwingende redenen van algemeen belang. De rechtbank sluit zich aan bij het eerdere oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats dat het door de minister gestelde belang van het effectief beheer van migratiestromen als een dwingende reden van algemeen belang kan worden aangemerkt. Het tegenwerpen van het mvv-vereiste is – ondanks de standstillbepaling – dan ook in beginsel gerechtvaardigd.
8.2.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het tegenwerpen van het mvv-vereiste in dit geval ook evenredig is. Dit is het geval als het mvv-vereiste kan worden aangemerkt als een geschikt middel en daarnaast niet verder gaat dan noodzakelijk om het nagestreefde doel te bereiken.
8.3.
Deze rechtbank heeft in de voornoemde uitspraak van 7 november 2024 reeds geoordeeld dat het mvv-vereiste geschikt is om het nagestreefde doel van effectief beheer van migratiestromen te bereiken en dat de in de zaak genoemde alternatieven niet tot hetzelfde resultaat leiden als de invoering van het mvv-vereiste. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat het door de minister geformuleerde beleid met betrekking tot het vrijstellen van Turkse onderdanen van het mvv-vereiste verder gaat dan nodig is. Hierin is namelijk een beperking opgenomen voor bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding zouden kunnen vormen om de vreemdeling vrij te stellen van het mvv-vereiste. Het op voorhand uitsluiten van bepaalde omstandigheden als bijzondere individuele omstandigheden verhoudt zich slecht met het oordeel van het Hof van Justitie in het arrest Yön dat bij de beoordeling of een vreemdeling moet worden vrijgesteld van het visumvereiste rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van een concrete zaak. Het beleid is daarom in zoverre in strijd met artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb.
8.4.
De rechtbank overweegt echter dat eiser in deze zaak noch bij zijn aanvraag, noch in de bezwaarfase bijzondere individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht. De minister heeft in het bestreden besluit dan ook niet getoetst aan de voornoemde passage uit het beleid, maar heeft volstaan met de conclusie dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt niet verder gaat dan noodzakelijk om het nagestreefde doel te bereiken en daarmee niet onevenredig is. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat eisers uitzetting niet in strijd is met het Turks associatierecht en dat er gelet hierop geen reden bestond om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om over de vraag welke situaties als bijzonder worden aangemerkt, vragen te stellen aan het Hof van Justitie omdat het antwoord op die vraag geen invloed kan hebben op de beoordeling van het voorliggende geschil.
8.5.
De door eiser in beroep gestelde bijzondere individuele omstandigheden kunnen aan het voorgaande niet af doen. Allereerst heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn bedrijf zal moeten beëindigen en deze niet (tijdelijk) zou kunnen voortzetten wanneer hij zich in Turkije bevindt. Bovendien is het doel van de invoering van het mvv-vereiste voor Turkse zelfstandigen er juist in gelegen te voorkomen dat mensen zonder voorafgaande toestemming een bedrijf in Nederland beginnen. Daarbij heeft de minister in haar verweerschrift uiteengezet dat een voorwaarde waaraan de vreemdeling wegens
zijn verblijf in het buitenland niet kan voldoen, zoals de inschrijving bij de KvK,
niet aan hem zal worden tegengeworpen indien aan alle andere toelatingsvoorwaarden is
voldaan. Hiermee vervalt eisers argument dat het niet mogelijk is om zich vanuit Turkije opnieuw in te schrijven bij de KvK wanneer hij Nederland moet verlaten, en hij voor zijn aanvraag een KvK-uittreksel moet overleggen. Eiser heeft verder geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hij vrijgesteld zou kunnen worden van het mvv-vereiste in de zin van paragraaf B1/4.1.2 van de Vc.
Is het mvv-vereiste in strijd met het discriminatieverbod?
9. Eiser betoogt dat het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen een ongerechtvaardigd onderscheid maakt op basis van nationaliteit of ras. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 15 juli 2024.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat het mvv-vereiste niet in strijd is met het discriminatieverbod. Uit het arrest Commissie tegen Nederland volgt dat onevenredige nieuwe beperkingen strijdig zijn met het in artikel 9 van de Associatieovereenkomst neergelegde beginsel van non-discriminatie. Omdat de beperking in dit geval echter gerechtvaardigd en evenredig is, sluit dat uit dat deze discriminatoir is. De door eiser aangehaalde uitspraak doet hier niet aan af, nu dit geen vergelijkbare zaak betreft. In die zaak ging het immers om de vraag of het onderscheid maken naar nationaliteit in het kader van het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod als bedoeld in artikel 14 van het EVRM.
Had de minister eiser in bezwaar moeten horen?
10. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister hem in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord. Zoals deze rechtbank in voornoemde uitspraak van 7 november 2024 heeft overwogen, heeft de minister jarenlang het mvv-vereiste niet tegengeworpen aan Turkse zelfstandigen en hebben verschillende rechtbanken aanleiding gezien om de rechtmatigheid van de invoering van het mvv-vereiste op een zitting van een meervoudige kamer te behandelen, hetgeen tot uiteenlopende uitspraken heeft geleid. Gelet hierop kan niet worden gesproken van een situatie waarbij er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kon leiden. Van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift is dan ook geen sprake. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2 van de Awb is genomen. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Eiser heeft in beroep namelijk uitgebreid de gelegenheid gekregen om zijn visie op de zaak te geven en de minister heeft daarop kunnen reageren. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de minister daarin geen aanleiding hoeven zien om af te zien van de afwijzing van de aanvraag. Het is dus aannemelijk dat eiser, door het afzien hem te horen, niet is benadeeld.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Omdat de rechtbank in deze uitspraak op het beroep beslist, is het treffen van een voorlopige voorziening niet meer nodig. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
13. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, moet de minister de griffierechten aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.11198:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL23.15063:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 371,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
ECLI:NL:RBDHA:2024:18426.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije.
Paragraaf B1/4.1 van de Vc.
ECLI:NL:RBDHA:2024:12223.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie onder meer het arrest van 7 augustus 2018, ECLI:EU:C:2018:632.
ECLI:NL:RBDHA:2024:18426, onder 13.
Zie voetnoot 10.
Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 18 oktober 2024, onder 8.3.
Kamer van Koophandel.
ECLI:NL:RBDHA:2024:13381.
Arrest van 29 april 2010, ECLI:EU:C:2010:228.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1168, onder. 12.1.1.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.
Zie de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 3 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12223, zittingsplaats Haarlem van 25 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:11880, zittingsplaats Den Haag van 18 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16963 en zittingsplaats Arnhem van 1 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18071.