Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:18268
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,847 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/7732 en AWB 24/7731
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2025 in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
en
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser, tezamen: eisers
(gemachtigde: [gemachtigde eisers] ),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor visums voor kort verblijf. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eisers krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eisers hebben visums voor kort verblijf ingediend. De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 1 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 april 2024 op de bezwaren van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. de minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvragen van eisers voor visums voor kort verblijf afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. De relatie tussen de referent en eisers is namelijk niet aangetoond middels objectiveerbare bewijsstukken terwijl het reisdoel van eisers familiebezoek was. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten met haar zoon (eiser) voor het verstrijken van de geldigheid van de aangevraagde visums.
Beoordeling
4. Eisers zijn van mening dat alle vereiste documentatie en informatie is verstrekt om aan de criteria te voldoen die nodig zijn voor het verkrijgen van de gevraagde visums voor Nederland. Zij stellen dat de afwijzing onrechtmatig is. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers toegelicht dat zijn schoonzus (eiseres en tevens de echtgenote van de broer van zijn vrouw) met haar zoon (eiser) bij hem op familiebezoek wil komen in Nederland en daarom visums zijn aangevraagd. Hij begrijpt niet waarom de familierechtelijke relatie tussen hem, zijn echtgenote ( [naam echtgenote] ) en eisers niet is aangetoond. Eisers hebben in dat verband namelijk een huwelijksakte overgelegd, waaruit volgt dat eiseres getrouwd is met [broer] (de broer van [naam echtgenote] ). Ook hebben eisers een ‘certificat administratif’ overgelegd welke afkomstig is van het ministerie van Binnenlandse Zaken van het Koninkrijk van Marokko, provincie Tinghir, commune Iknioune; de gemeente van Iknioune aldus de gemachtigde. Hieruit volgt dat zijn echtgenote [naam echtgenote] de schoonzus is van eiseres.
5. In het bestreden besluit erkent de minister dat in het ‘certificat administratif’ staat dat [naam echtgenote] , de echtgenote van [gemachtigde eisers] , de schoonzus is van eiseres maar stelt de minister dat dit bewijs geen objectief verifieerbaar document is. De gemachtigde heeft op de zitting uitgelegd dat dit document bij de gemeente van Iknioune is opgevraagd. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan de rechtbank het standpunt van de minister dat dit document niet objectief verifieerbaar is, niet volgen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers met dit document de familierelatie tussen hen en de uitnodigende persoon ( [gemachtigde eisers] ) hebben aangetoond.
6. Verder heeft de gemachtigde, om de minister tot inwilliging aan te sporen, in het bezwaarschrift aangegeven dat er meerdere familieleden bereid zijn om eisers te ontvangen indien enkel verblijf bij hem thuis onvoldoende is. Hier heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank te veel gewicht aan toegekend in het kader van de beoordeling van het doel en de omstandigheden van het verblijf. Het is overduidelijk dat eisers op bezoek willen komen bij hun familie, [gemachtigde eisers] en [naam echtgenote] .
7. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er sprake is van een redelijke twijfel over het voornemen van eisers om Nederland te verlaten voor de afloop van de geldigheidsduur van de aangevraagde visums. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in Marokko werkzaam is op een boerderij en verantwoordelijk is voor het vee en de arbeid op het land. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres een paar foto's overgelegd waarop te zien is dat zij aan het werk is met vee op een erf. Dat eiseres werkzaam is in Marokko acht de rechtbank, anders dan de minister, daarom niet onaannemelijk. Verder heeft de minister niet betwist dat eiseres getrouwd is en vier meerderjarige kinderen heeft die allen in Marokko verblijven. Haar man en drie meerderjarige kinderen zullen achterblijven indien zij met haar jongste zoon (eiser) naar Nederland reist. Bovendien staat eiser volgens een overgelegd inschrijvingscertificaat ingeschreven bij een studie als tweedejaarsstudent. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers geen zodanige sociale en economische binding hebben met Marokko dat tijdige terugkeer is gewaarborgd.
Conclusie
8.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 april 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.