Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-01
ECLI:NL:RBDHA:2025:18055
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,043 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51392
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar zoon, [referent] (referent). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag om een mvv in stand kan blijven. De minister heeft namelijk deugdelijk gemotiveerd dat tussen eiseres en referent en tussen eiseres en de minderjarige kinderen van referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 11 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij referent op grond van artikel 8 van het EVRM.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 december 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Ingetrokken beroepsgrond
3. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres ter zitting de beroepsgrond dat het besluit in strijd is met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat is afgezien van nader onderzoek naar de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent, heeft ingetrokken. Deze beroepsgrond is ingetrokken, omdat de minister juist wel uitgaat van een familierechtelijke betrekking tussen eiseres en referent. Gelet hierop laat de rechtbank deze beroepsgrond onbesproken.
Familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referent
Toelichting bij de aanvraag
4. Eiseres, geboren op [geboortedatum 1] 1945, is de moeder van referent en woont sinds 2021 in Homs in Syrië. Referent, geboren op [geboortedatum 2] 1982, woont sinds 2018 in Nederland. Ze hebben beiden de Syrische nationaliteit.
Beoordeling
5. Tussen partijen is in geschil of de minister zich voldoende gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt stelt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van ‘further elements of dependancy, involving more than the normal emotional ties’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan immers dan pas worden gesproken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of hiervan sprake is. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin. Uit uitspraken van het EHRM blijkt verder dat de minister bij de beoordeling zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht mag toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. Geen van deze factoren zijn op zichzelf of in combinatie per definitie voldoende om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Daarbij zullen steeds alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen.
Beroepsgrond eiseres
5.1.
Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseres brengt naar voren dat zij langdurig heeft samengewoond met referent in Syrië (1982–2007) en Saoedi-Arabië (vanaf 2018 tot aan het vertrek van referent).
Ten aanzien van de financiële afhankelijkheid stelt eiseres dat dit geen doorslaggevend criterium is, maar in samenhang met de leefomstandigheden moet worden beoordeeld. Hoewel ook andere familieleden bijdragen aan haar onderhoud, draagt referent een morele en sociale verantwoordelijkheid. Dat hij momenteel geen inkomen heeft, sluit toekomstige ondersteuning niet uit. Wanneer eiseres tot Nederland wordt toegelaten zal referent deze ondersteuning op zich nemen. De financiële ondersteuning hoeft overigens niet exclusief van referent afhankelijk te zijn.
Met betrekking tot de praktische afhankelijkheid voert eiseres aan dat referent structurele psychische ondersteuning biedt, die essentieel is gelet op haar depressie, angstklachten en het wegvallen van haar zus als mantelzorger. De minister miskent de aard en intensiteit van deze zorgrelatie. Betaalde hulp of incidentele steun uit de omgeving vormt geen reëel alternatief voor de continue betrokkenheid van referent, die de zorg organiseert en coördineert. Dat eiseres op bezoek gaat bij derden in Syrië doet geen afbreuk aan de relatie tussen haar en referent en de bijkomende elementen van afhankelijkheid. Referent onderhoudt contacten met de psycholoog in Saoedi-Arabië en zorgt ervoor dat eiseres de benodigde medicijnen krijgt. Artikel 8 van het EVRM vereist een beoordeling van het geheel van omstandigheden, waaruit blijkt dat wel degelijk sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Eiseres betwist voorts de conclusie van de minister dat haar gezondheidstoestand geen aanleiding vormt voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Zij voert aan dat haar psychische toestand, waaronder langdurige depressie en angstklachten, sinds 2011 consistent is onderbouwd en behandeld wordt, zij het op afstand in Saoedi-Arabië vanwege de gebrekkige zorg in Syrië. Dat eventueel ook een behandeling mogelijk zou zijn in Syrië, hetgeen gelet op de bekende humanitaire situatie in Syrië wordt betwist, neemt niet weg dat ook daarin een bijkomend element van afhankelijkheid zit. De minister miskent dat eiseres een vertrouwensband heeft met de psycholoog, dat haar zoon daarbij ondersteunt en de behandeling mogelijk maakt waaruit al een bijkomende element van afhankelijkheid blijkt. Eiseres betoogt verder dat de minister ten onrechte stelt dat geen recente medische informatie is overgelegd, terwijl een audioverklaring van de psycholoog beschikbaar is waarin gezinshereniging wordt aanbevolen. Het nalaten om deze verklaring op te vragen is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De stelling dat het ontbreken van acute zorg een indicatie zou zijn van de afwezigheid van medische noodzaak, wordt als onhoudbaar gekwalificeerd. De gebrekkige toegang tot zorg maakt de rol van referent des te crucialer. De langdurige en intensieve betrokkenheid van referent overstijgt de normale ouder-kindrelatie en dient te worden gekwalificeerd als bijzondere afhankelijkheid. Ook is het oordeel van de minister over de rechterlijke uitspraak van de sharia rechtbank in Syrië, Homs van 22 september 2022 ten aanzien van de verzorging van eiseres onvoldoende gemotiveerd: de daarin opgenomen feitelijke observaties zijn niet weerlegd. Eiseres betwist de conclusie dat haar banden met Syrië zwaarder zouden wegen dan het recht op gezinsleven met haar zoon in Nederland. De minister hanteert volgens haar een onjuiste toetsingsmaatstaf: de relevante vraag is of het gezinsleven daadwerkelijk in Syrië kan worden uitgeoefend. Dat is niet het geval, gelet op haar medische situatie, het ontbreken van adequate zorg, de afwezigheid van andere mantelzorgers en de onveilige situatie in Syrië. Het beroep van de minister op een vermeend sociaal netwerk in Syrië miskent dat dit netwerk instabiel, informeel en deels afhankelijk van betaalde hulp is. Ook de suggestie dat contact op afstand kan worden voortgezet, doet geen recht aan de intensieve en structurele rol van referent als mantelzorger en vertrouwenspersoon. Tot slot wijst eiseres op het feit dat referent asielstatus in Nederland heeft, waardoor terugkeer naar Syrië uitgesloten is. Dit maakt gezinshereniging in Nederland het enige reële alternatief voor het uitoefenen van gezinsleven.
Oordeel rechtbank
5.2.
Het betoog van eiseres slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, hoewel eiseres en referent in Syrië (1982-2007) en Saoedi-Arabië altijd hebben samengewoond tot het vertrek van referent, dit langdurige samenwonen op zichzelf onvoldoende is om te spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Referent heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van omstandigheden die de gebruikelijke moeder-zoonrelatie overstijgen.
De minister stelt zich voorts niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres zelfvoorzienend is via haar pensioen en financiële bijdragen van haar andere kinderen (broers van referent). Dat blijkt onder meer uit de verklaringen van referent tijdens het gehoor dat zijn broers in het levensonderhoud van eiseres voorzien. Deze financiële steun kan bovendien ook op afstand worden voortgezet, zoals nu reeds het geval is. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres praktisch niet afhankelijk is van referent. Uit de verklaringen van referent blijkt dat eiseres, met uitzondering van de huishoudelijke taken, voor zichzelf kan zorgen. Voor huishoudelijke hulp zijn er andere personen beschikbaar, bijvoorbeeld buren of betaalde hulpen. Er is een hecht sociaal netwerk in Syrië waar eiseres op terug kan vallen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen zorg van derden kan krijgen. De zorg die referent nu verleent (telefonisch contact en coördineren van psychische hulp) kan op afstand plaatsvinden en wordt door de minister niet ten onrechte als niet doorslaggevend beschouwd in dit kader.
Conclusie
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er tussen eiseres en referent geen sprake van meer dan bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarom bestaat er tussen hen geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Gelet op deze conclusie is een nadere belangenafweging niet nodig. De rechtbank zal de gronden die eiser daartegen heeft gericht daarom niet bespreken.
Eiseres en de minderjarige kleinkinderen: de belangenafweging
6. Eiseres betoogt dat de belangen van haar kleinkinderen onvoldoende gewogen zijn. De minister heeft haar standpunt dat het contact tussen eiseres en de kleinkinderen niet van zodanige aard is dat het de gebruikelijke band overstijgt onvoldoende gemotiveerd. Eiseres voert aan dat zij structureel contact met haar kleinkinderen onderhoudt, een belangrijke rol speelt in hun emotionele ontwikkeling en door hen wordt gezien als een steunfiguur. Deze rol zou extra gewicht moeten krijgen vanwege de fase van integratie waarin het gezin zich bevindt. Volgens eiseres heeft de minister dit onvoldoende erkend en daarmee het belang van de kinderen, in strijd met artikel 3 van het IVRK, onvoldoende meegewogen.
6.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft in bezwaar erkend dat sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar minderjarige kleinkinderen. De minister heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds de belangen van de minderjarige kinderen en anderzijds het belang van de Nederlandse Staat, waarbij de belangenafweging in het nadeel van eiseres is uitgevallen. De minister heeft gemotiveerd waarom het economisch belang (en daarmee het belang van de Nederlandse Staat) zwaarder weegt, waarbij de minister in dat kader heeft gemotiveerd waarom het zeer aannemelijk is dat eiseres ten laste van de openbare kas zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze afweging voldoende gemotiveerd en heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangen van de Nederlandse Staat zwaarder wegen. Het betoog van eiseres dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het contact tussen haar en de kleinkinderen niet van zodanige aard is dat het de gebruikelijke band overstijgt, slaagt niet. De minister heeft immers aangenomen dat er wel gezinsleven tussen eiseres en de kinderen bestaat.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
EHRM 17 april 2012, Kopf en Liberda tegen Oostenrijk,
ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806. Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275.
EHRM 9 oktober 2003, Slivenko tegen Letland, ECLI:CE:ECHR:2003:1009JUD004832199, 97 en EHRM 18 november 2014, Senchishak tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912, onder 55-57.
EHRM 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD000800008.
EHRM 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1994:1010DEC002321894.
EHRM 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1995:0628DEC002577794.
EHRM 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2000:1107DEC003151996.
Zie onder meer de EHRM 17 februari 2009, Onur tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907, EHRM 12 januari 2010, Khan tegen Verenigd Koninkrijk, 17 januari 2012, EHRM Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, en EHRM 18 november 2014, Senchishak tegen Finland. En ABRvS 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003, onder 3.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:267.
Verdrag inzake de Rechten van het Kind.