Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:17921
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,798 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35113
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.R. van der Linde),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 13 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser heeft verklaard dat hij de Nigeriaanse nationaliteit bezit, behoort tot de Igbo-bevolkingsgroep en is geboren op [geboortedatum 1] 1978. Eiser heeft verklaard dat hij zijn vader als voodoo-priester moet opvolgen. Eiser wil dit niet, omdat hij christen is en niet in voodoo gelooft. Hij wordt echter onder druk gezet door de gemeenschap. Eiser vreest dat bij een terugkeer naar Nigeria de geest van de voodoo ervoor zal zorgen dat hij een ziekte zal krijgen of dood zal gaan.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief);
eisers problemen wegens de opvolging van zijn vader als voodoo-priester (ook wel het tweede asielmotief);
eisers problemen vanwege zijn openstaande schuld bij [naam 2] (ook wel het derde asielmotief).
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst wel geloofwaardig. Ook volgt verweerder het tweede en derde asielmotief.Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Nigeria geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt allereerst dat verweerder ten onrechte zijn identiteit niet geloofwaardig vindt. Volgens eiser bestaat er voldoende aanleiding om de geboortedatum en naam op de originele doopakte te volgen. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte vindt dat hij vanwege het geloofwaardige tweede en derde asielmotief bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens eiser heeft verweerder dit oordeel onvoldoende onderbouwd en ontbreekt een volledige lezing van eisers verklaringen. Bij de beoordeling is bovendien onvoldoende rekening gehouden met informatie uit het algemeen ambtsbericht van Nigeria. Ook is er geen risicoanalyse gemaakt, zoals voorgeschreven in de EASO Country Guidance van Nigeria en de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 7 mei 2025. Tot slot is eiser het niet eens met de kennelijk ongegrond afdoening, nu het hem niet te verwijten is dat hij niet direct asiel heeft aangevraagd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder eisers identiteit ongeloofwaardig vinden?
6. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat eisers identiteit niet geloofwaardig is.
6.1.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de namen op de twee documenten die eiser heeft overgelegd, te weten een doopakte en huwelijksakte, van elkaar afwijken. Zo staat op de doopakte de naam [afwijkende naam eiser 1] en op de huwelijksakte de naam [afwijkende naam eiser 2] . Bovendien komen deze namen niet overeen met de naam die eiser heeft opgegeven bij de Italiaanse en Nederlandse autoriteiten, namelijk [eiser] . Eisers betoog dat hij zich in Nigeria altijd identificeerde met de naam die hij heeft opgegeven bij zijn aanmelding en dat zijn volledige naam op de doopakte staat, geeft onvoldoende verklaring voor de afwijkende namen. Verweerder heeft terecht gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij bij zijn asielaanvraag in Italië en Nederland zijn volledige naam opgeeft. Ook heeft verweerder het met de nadere toelichting op zitting bevreemdend mogen vinden dat de naam ‘ [naam 3] ’ op de christelijke documenten staat, nu dit volgens eiser ‘voodoo’ betekent en hij dat heeft weggehaald nadat hij christen is geworden. Dat eiser dat deel van zijn naam liever niet meer gebruikt, maakt voorgaande niet anders.
6.2.
Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat de geboortedatum die genoemd staat op de doopakte niet overeenkomt met de geboortedatum die eiser heeft opgegeven bij zijn aanmelding in Italië en Nederland. Zo staat op de doopakte [geboortedatum 2] 1978 genoemd als geboortedatum en heeft eiser bij zijn aanmelding verklaard dat hij op [geboortedatum 1] 1978 is geboren. De stelling dat eiser zich vergist heeft, weinig opleiding heeft genoten en niet kan lezen en schrijven in zijn eigen taal, biedt daartoe onvoldoende verklaring. Niet valt in te zien waarom eiser, ondanks zijn lage opleidingsniveau, twee verschillende geboortedata opgeeft.
6.3.
Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat er voldoende aanleiding is om de geboortedatum en de naam op de doopakte geloofwaardig te achten. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat de doopakte geen identificerend document betreft in de zin van C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, nu het geen pasfoto van eiser bevat. Ook de omstandigheid dat verweerder eisers asielrelaas geloofwaardig heeft geacht, maakt niet dat van de persoonsgegevens op de doopakte moet worden uitgegaan.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt bij een terugkeer naar Nigeria.
Het tweede asielmotief
7.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege het geloofwaardige tweede asielmotief bij een terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser niet vreest voor een concrete dader, nu eiser heeft verklaard dat bij een terugkeer de geest van de voodoo ervoor zal zorgen dat hij een ziekte zal krijgen of dood zal gaan. Eisers betoog dat er wel sprake is van een concrete dader die hem ernstige schade zal berokkenen– namelijk de ouderen van het dorp en zijn vader – volgt de rechtbank niet. Uit eisers verklaringen blijkt namelijk dat de ouderen van het dorp en zijn vader een voodoospreuk kunnen uitspreken, maar de geest van de voodoo ervoor zal zorgen dat hij ziek wordt of dood zal gaan. Daarnaast heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eisers vrees voor de geest van de voodoo een subjectieve vrees is en dat eiser niet heeft geconcretiseerd of geobjectiveerd dat een voodoospreuk op zichzelf tot ernstige schade leidt. De hoogste bestuursrechter heeft eerder in een uitspraak van 5 oktober 2017 geoordeeld dat de vrees voor bovennatuurlijke represailles onvoldoende is om een reëel en voorzienbaar risico op ernstige schade aannemelijk te maken. Eisers verwijzing naar pagina 89 van het algemeen ambtsbericht van Nigeria van januari 2023, doet aan voorgaande niet af. De omstandigheid dat slachtoffers van een voodoospreuk en hun omgeving ieder ongeluk aan de spreuk wijten en dit in hun ogen dus reële en fysieke represailles betreffen, maakt niet dat hieruit volgt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige handeling.
Het derde asielmotief
7.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege het geloofwaardige derde asielmotief bij een terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade.
Conclusie
9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 31, zesde lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Algemeen Ambtsbericht Nigeria, 31 januari 2023.
EASO Country Guidance: Nigeria (October 2021).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1996.
Nader gehoor van 20 december 2024, p. 11.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2710, r.o. 11.1.
Algemeen Ambtsbericht Nigeria, 31 januari 2023 en uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1996, r.o. 4.2.1 en 4.2.2.