Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:17798
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,046 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39806
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister een terugkeerbesluit heeft opgelegd.
Eiseres heeft op 21 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van 24 juli 2025. Op18 september 2025 zijn de gronden van beroep ingediend. Verder is verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL25.44221).
De rechtbank doet uitspraak op het beroep zonder zitting. Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
Overwegingen
1. Eiseres betoogt dat met het terugkeerbesluit onvoldoende rekening is gehouden met het recht op familieleven en gezinsleven. Ze heeft in Nederland een relatie die door het terugkeerbesluit niet kan worden voortgezet in Nederland of Europa. Ook is geen rekening gehouden met het privéleven van eiseres in Nederland. Ze woont en werkt in Nederland, heeft haar opleiding afgerond en wil een vervolgopleiding aanvangen. Eiseres meent verder dat het haar vanwege de bevriezingsmaatregel was toegestaan om in elk geval tot 4 september 2025 rechtmatig in Nederland te blijven. Het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel staan aan de beëindiging in de weg. Andere lidstaten hebben de bescherming voor de facultatieve groep niet beëindigd. Er is tevens sprake van een ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. De Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de handelwijze van de minister geven aanleiding tot ambtshalve toetsing van artikel 8 van het EVRM. Tot slot betoogt eiseres dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen.
Beëindiging van de tijdelijke bescherming met ingang van 4 maart 2024
2. Het antwoord op de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming kon worden beëindigd is reeds gegeven door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
2.1.
Bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft de ABRvS bepaald dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning die vóór19 juli 2022 ingeschreven waren in de BRP op 4 maart 2024 eindigt.
2.2.
Bij brief van 7 februari 2024 is eiseres bericht dat 4 maart 2024 de laatste dag is waarop zij recht heeft op tijdelijke bescherming en dat dit recht automatisch stopt na4 maart 2024.
2.3.
Bij arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie -kort samengevat- geoordeeld dat de vroegtijdige beëindiging rechtmatig is.
2.4.
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft de ABRvS bevestigd dat de minister bevoegd is om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op een tijdstip gelegen voor de datum waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover in onderhavige procedure anders te oordelen.
Stopzetten van bevriezingsmaatregel met ingang van 4 september 2025
3. Na de uitspraak van 17 januari 2024 zijn alsnog prejudiciële vragen gesteld. De gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren in afwachting van beantwoording van deze vragen. Deze maatregel is per 4 september 2025 stopgezet.
Terugkeerbesluit
4. Daarmee resteert nog de vraag of de minister (op 24 juli 2025) bevoegd was een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
5. Anders dan eiseres bepleit ziet de rechtbank in de Terugkeerrichtlijn en het arrest van het hof van Justitie van 19 december 2024 geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit eerst vanaf 4 september 2025 kon worden genomen.
5.1.
Artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn is in voornoemd arrest zo uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen, als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2001/55, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd.
5.2.
Zoals hiervoor is overwogen is de facultatieve tijdelijke bescherming per4 maart 2024 geëindigd. Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 24 juli 2025 genomen.
5.3.
Op 24 juli 2025 was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank was de minister op 24 juli 2025 dan ook bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
6. De in de gronden van beroep betrokken stellingen treffen geen doel. In het bestreden besluit heeft de minister het familie- en gezinsleven van eiseres alsmede haar privéleven zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM betrokken. Het door eiseres gestelde kan niet leiden tot een ander oordeel. Gelet op het oordeel van het Hof van Justitie en de ABRvS over het beëindigen van de tijdelijke bescherming is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Dat andere lidstaten de bescherming voor de facultatieve groep niet hebben beëindigd of dat het eiseres vanwege de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot
4 september 2025 in Nederland te blijven maakt dat niet anders.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RVS:2024:32.
ECLI:EU:C:2024:1038.
ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Zie ook: de uitspraak van deze zittingsplaats van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16291.
ABRvS 2 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1366.
Brief van de minister van 25 april 2024, Kamerstukken II, 36 394, nr. 24.
Brief van de minister van 3 juni 2025, Kamerstukken II, 19 637, nr. 3434.
Zie in dit kader ook het Terugkeerhandboek, (Aanbevelingen (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017), § 5.4, de beschikking van 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544, § 47-48, en de uitspraken van zittingsplaatsen Arnhem (ECLI:NL:RBDHA:2025:16546, r.o. 5.3.),
’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:RBDHA:2025:16397, r.o. 34) en Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2025:17078, r.o. 10).