Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:17769
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,386 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.24112
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Harmanci),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. E.G. Angela).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’.
1.1.
Met het besluit van 20 juli 2022 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2023 is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
1.2.
Met het bestreden besluit van 27 juli 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij drijft sinds8 november 2021 de eenmanszaak [naam bedrijf 1] . Op 23 februari 2022 heeft eiser voor de zevende keer een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij [naam bedrijf 1] .
2.1.
Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikt over een geldige mvv en er geen aanleiding bestaat om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. Eiser heeft niet aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Met het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers ondernemingsplan onvolledig is en niet met voldoende stukken is onderbouwd. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nog altijd de branchegegevens van de specifieke markt waarop de onderneming zich richt, de prognoses van balansen, omzetten van resultaten, concrete (omvang in tijd en geld) intentieverklaringen van toekomstige opdrachtgevers, gegevens ter onderbouwing van de competenties van de ondernemer, de BTW beschikkingen en de aanslagen inkomstenbelasting ontbreken. Gelet hierop heeft eiser nog altijd niet voldaan aan het documentatievereiste. Verweerder heeft de aanvraag van eiser daarom niet ter beoordeling voorgelegd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RvO).
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de aanvraag van eiser heeft afgewezen aan de hand van zijn beroepsgronden.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Nieuw ondernemingsplan
5. Eiser heeft op 17 februari 2025 een nieuw ondernemingsplan ingediend. Eiser stelt zich op het standpunt dat het oude ondernemingsplan voldoet aan de vereisten, maar dat hij vanwege het tijdsverloop een nieuw ondernemingsplan heeft ingediend om de branchegegevens te actualiseren. Ook heeft eiser nieuwe bijlagen toegevoegd die zien op de werkgelegenheid in de bouw en een vacature. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat deze stukken gelet op de ex-tunc beoordeling niet mogen worden betrokken in de beroepsprocedure.
5.1.
Volgens de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022 zijn later ingediende stukken niet strijdig met de ex-tunc toetsing indien de feiten waarover dat document gaat zich voordeden op het moment van het nemen van dat besluit. Bij later ingediende stukken dient er volgens de Afdeling te worden gekeken naar de vraag of er sprake is van strijd met de goede procesorde. Strijd met de goede procesorde doet zich pas voor als die nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat een deel van het ondernemingsplan een actualisatie betreft maar dat een deel ook ziet op informatie van vóór het bestreden besluit. Hoewel verweerder met deze informatie in het bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden en eiser dit pas 1,5 jaar later heeft ingediend, ziet de rechtbank aanleiding om de aanvullende stukken erbij te betrekken. Dit omdat verweerder een subsidiair standpunt heeft ingenomen en de aanvullende stukken op zitting uitgebreid met partijen zijn besproken.
Documentatievereiste
Markt- en concurrentieanalyse
6. Eiser stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat zijn ondernemingsplan voldoende toegespitst en geïndividualiseerd is op zijn onderneming. Volgens eiser blijkt dit ook uit de markt- en concurrentieanalyse. Eiser stelt dat een concretere markt- en concurrentieanalyse in zijn geval niet mogelijk is. In het ondernemingsplan is een duidelijke analyse gemaakt van de markt in het werkgebied en zijn de branche, de markt, de risico’s en alle afgelopen ontwikkelingen daarin alsmede de invloed daarvan op eiser concreet beschreven.
6.1.
De rechtbank is het met verweerder eens dat de marktanalyse in zijn geheel te algemeen is beschreven en onvoldoende inzicht geeft in de regionale markt van eisers onderneming. Zo ziet de marktanalyse hoofdzakelijk op de bouw- en utiliteitsmarkt in Nederland. Er vindt onvoldoende vertaling plaats naar de onderneming van eiser, die zich alleen met stuc- en schilderwerkzaamheden bezighoudt. Daarnaast kan de rechtbank verweerder volgen dat de concurrentieanalyse onvoldoende is onderbouwd. Eiser heeft vijf concurrenten opgenomen in de analyse, maar niet is duidelijk of zij dezelfde doelgroep en dezelfde werkzaamheden als eiser hebben. Ook bevat de analyse geen vergelijking van relevante aspecten als aanbod, grootte, prijsbeleid en service. Eiser heeft nog naar voren gebracht dat het niet haalbaar is voor een eenmanszaak om (qua kosten) een diepgaande analyse van de markt en concurrenten te laten uitvoeren. De ondernemer is vooral aangewezen op de eigen waarneming en onderzoeksmateriaal dat openbaar beschikbaar is op internet en in publicaties. Dat neemt echter niet weg dat eiser een op zijn onderneming toegespitste markt- en concurrentie analyse dient aan te leveren, zoals volgt uit bijlage 8aa van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Dat heeft eiser, zoals hiervoor is overwogen, niet gedaan.
Overige documenten
7. De rechtbank is het met verweerder eens dat nog altijd de branchegegevens van de specifieke markt waarop eisers onderneming zich richt, de prognoses van balansen, omzetten en resultaten, concrete (omvang in tijd en geld) intentieverklaringen van toekomstige opdrachtgevers, gegevens ter onderbouwing van de competenties van de ondernemer, de BTW beschikkingen en – aanslagen inkomstenbelasting ontbreken.
7.1.
Eiser heeft op zitting erop gewezen dat hij drie freelance overeenkomsten bij zijn aanvraag heeft ingediend en niet begrijpt waarom er door verweerder intentieverklaringen worden verlangd.
7.2.
In bijlage 8aa van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 staat bij nadere toelichting bij de gevraagde bescheiden het volgende: ‘kopieën van concrete (omvang in tijd en geld) intentieverklaringen van toekomstige opdrachtgevers; eventuele al verkregen opdrachten’. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder wel degelijk intentieverklaringen van eiser kan verlangen. De rechtbank constateert wel dat verweerder de door eiser overgelegde freelance overeenkomsten niet heeft betrokken bij het bestreden besluit. Dat is een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank zal dat gebrek echter passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Zoals hierboven is vastgesteld ontbreken immers nog steeds andere stukken, waardoor eiser niet in zijn belangen is geschaad.
Opleiding en werkervaring
8. Eiser ziet niet in waarom vakinhoudelijke expertise moet worden aangetoond om het ondernemingsplan te kunnen beoordelen. Een aannemer of iemand die afbouwwerkzaamheden verricht in Nederland hoeft geen diploma te overleggen. Op zitting heeft eiser nog toegelicht dat hij geen arbeidsovereenkomsten heeft.
8.1.
De rechtbank is het met eiser eens dat de situatie zich kan voordoen dat iemand geen diploma heeft. Uit bijlage 8aa van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 volgt:’ – gegevens ter onderbouwing van de competenties van de ondernemer zoals:○ een kopie van referenties en arbeidsovereenkomst(en) van de voormalige dienstbetrekking(en);○ kopieën van behaalde diploma’s. Betreft het een buitenlands diploma? Dan moet deze voorzien zijn van een waardering van Nuffic/stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)’. Het gaat er dus om dat de ondernemer zijn competenties onderbouwt. Bij de aanvraag heeft eiser twee referentieverklaringen van [naam] meegestuurd. Daarin staat vermeld dat eiser in de periodes 3 april 2015 tot 30 december 2016 en 3 oktober 2019 tot 30 augustus 2020 als stukadoor en muurpleister werkte in het bedrijf in [naam plaats 1] . In het ondernemingsplan staat echter dat eiser in de periode van 3 april 2015 tot 30 december 2016 werkte bij “ [naam bedrijf 2] ” in de stad [naam plaats 2] . Verder staat er dat zijn functie daar onbekend is. De rechtbank is van oordeel dat alles bij elkaar genomen te weinig duidelijk is om de competenties van eiser te onderbouwen.
RvO-adviezen en standstill-bepaling
9. Eisers beroep op een aantal positieve RvO-adviezen in andere zaken slaagt niet. Verweerder heeft daarover terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat sprake is van vergelijkbare zaken. Daarnaast dient, zoals ook uit de RvO-adviezen blijkt, elke zaak op zijn eigen merites te worden beoordeeld.
9.1.
Eisers betoog dat verweerder alle in bijlage 8aa van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 genoemde documentatie vereist, dat dit een aanscherping is en daarmee in strijd met de standstill-bepaling, volgt de rechtbank niet. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de door verweerder gestelde documentatievereisten niet in strijd zijn met de standstill-bepaling.
Conclusie
12. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb toepast, heeft eiser wel recht op vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Eiser krijgt ook het griffierecht terug van verweerder.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
AWB 22/5095, niet gepubliceerd.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:37, r.o. 2.3. en 2.3.1.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3922.
ECLI:NL:RBDHA:2024:10363.
ECLI:NL:RVS:2023:2557.
Beoordeling
Om diezelfde reden volgt de rechtbank ook niet eisers stelling dat het vragen om vakinhoudelijke expertise in strijd is met de standstill-bepaling. Ook de stukken ter onderbouwing van opleiding en werkervaring behoren immers tot de door de Afdeling bedoelde documentatievereisten.
Rvo (willekeur)
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder geen eenduidige lijn geeft op basis waarvan zaken worden voorgelegd aan de RvO. Verweerder geeft hier ook geen openheid over.
10.1
De rechtbank overweegt dat eiser niet wordt gevolgd in zijn betoog dat niet bekend is wanneer een zaak aan de RvO wordt voorgelegd en wanneer niet. Zowel in het beleid neergelegd in paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 als op het aanvraagformulier is vermeld welke gegevens dienen te worden overgelegd en dat deze moeten zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe adviseur. Na het indienen van de aanvraag is het aan verweerder om aan de hand van het toepasselijke beleid en de regelgeving vast te stellen of de door eiser ingediende stukken in voldoende mate compleet zijn om de aanvraag ter advisering voor te kunnen leggen aan de RvO. Als de aanvraag compleet is, beoordeelt de RvO de aanvraag en de daartoe overlegde stukken op inhoud. De RvO beoordeelt vervolgens of de onderneming van de aanvrager levensvatbaar is, in een behoefte voorziet en meer in het algemeen een wezenlijk Nederlands economisch belang dient.
Hoorplicht
11. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Hij verwijst naar de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag (Zittingsplaats Amsterdam) van 3 juli 2024. Eiser stelt dat hij in bezwaar alles heeft onderbouwd met stukken waar hij beschikking over had. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is nu hij een nieuw ondernemingsplan heeft overgelegd en geen steekhoudende verklaring heeft gegeven waarom hij de gevraagde stukken niet heeft overgelegd.
11.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2023 overwogen dat als een vreemdeling de stukken die worden genoemd in bijlage 8aa niet heeft overgelegd en ook geen verklaring heeft gegeven waarom hij daarover niet kan beschikken, die vreemdeling heeft nagelaten om essentiële informatie over te leggen, waarvan hij wist of kon weten dat die voor het nemen van een besluit noodzakelijk is. Het ligt voor verweerder dan in beginsel minder in de rede dat hij die vreemdeling uitnodigt voor een hoorzitting. Op grond van diezelfde uitspraak kan er niettemin toch reden zijn om eiser te horen indien één of meerdere van de volgende niet-limitatieve en niet-cumulatieve omstandigheden zich voordoet: (1) eiser zou op of vlak na een hoorzitting eenvoudig de ontbrekende informatie kunnen geven, (2) eiser heeft in bezwaar al een mogelijke steekhoudende verklaring gegeven voor het niet kunnen overleggen van bepaalde stukken, en (3) er bestaat onduidelijkheid over de waardering van één of meer overgelegde stukken.
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. Verweerder heeft in het primaire besluit aangegeven dat eiser niet de vereiste documenten bij zijn aanvraag heeft overgelegd. Verweerder heeft daarbij een opsomming gegeven van de stukken die missen. In bezwaar zijn nog steeds niet alle stukken overgelegd. Onder deze omstandigheid hoeft verweerder niet over te gaan tot horen om eiser nogmaals aan te sporen de benodigde stukken over te leggen. Dit kan anders zijn, als eiser steekhoudende verklaringen heeft gegeven voor het niet kunnen overleggen van bepaalde stukken. In dit geval is daar geen sprake van. Op de zitting heeft eiser beaamd dat hij in bezwaar niet heeft aangegeven waarom het indienen van de gevraagde stukken niet is gelukt. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 juli 2024 baat hem daarom niet.