Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:17760
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,077 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.22038
V [V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 2000, met de Syrische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.1.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 oktober 2022 niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
Op 26 januari 2023 heeft eiser verzocht om aanhouding van de behandeling van zijn zaak, in afwachting van prejudiciële vragen die door deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, gesteld waren aan het Hof. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en de behandeling van de zaak aangehouden. Op 14 december 2022 heeft deze rechtbank en zittingsplaats een voorlopige voorziening getroffen waarmee de rechtsgevolgen van het bestreden besluit zijn geschorst totdat op het beroep van eiser is beslist.
1.3.
Het Hof heeft bij arrest van 29 februari 2024 antwoord gegeven op deze prejudiciële vragen. De minister heeft op 27 maart 2024 een schriftelijk standpunt ingediend over dit arrest.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder afmelding niet verschenen. De rechtbank heeft geconstateerd dat eiser op de juiste wijze is opgeroepen. Ook heeft de rechtbank geprobeerd kort voor de aanvang van de zitting de gemachtigde van eiser telefonisch te bereiken, maar zonder succes.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regels staan in de Dublinverordening. De minister neemt in beginsel een asielaanvraag niet in behandeling als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
5. Eiser heeft op 14 april 2022 een asielaanvraag ingediend in Polen. De minister heeft daarom op 27 juni 2022 Polen verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. De autoriteiten van Polen hebben dit verzoek tot terugname op 30 juni 2022 aanvaard. De verantwoordelijkheid van Polen voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.
Is de overdrachtstermijn verstreken?
6. Eiser voert aan dat de overdrachtstermijn ruimschoots is overschreden. Deze is namelijk gaan lopen op het moment dat de Poolse autoriteiten op 30 juni 2022 het verzoek tot terugname van eiser hebben aanvaard. Hij kan daarom niet meer worden overgedragen aan Polen.
6.1.
De rechtbank overweegt dat deze rechtbank en zittingsplaats op 14 december 2022 een voorlopige voorziening heeft getroffen waarmee de rechtsgevolgen van het bestreden besluit zijn geschorst totdat op het beroep van eiser is beslist. De overdrachtstermijn is hierdoor opgeschort. Met deze uitspraak wordt op het beroep van eiser beslist en gaat ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening de overdrachtstermijn van zes maanden weer lopen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister ten aanzien van Polen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
7. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van Polen niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft in Polen geen kans gekregen om een asielaanvraag in te dienen, hij werd na een dag gewoon weggestuurd. In Polen vinden daarnaast illegale pushbacks plaats. Ook worden asielzoekers er onder slechte omstandigheden gedetineerd en mishandeld. Eiser wijst in dit kader op de rapporten van Amnesty International van april 2022 en november 2021 en op het rapport van Vluchtelingenwerk van augustus 2024, die hij in deze procedure heeft overgelegd. Aangezien de rechtsstaat in Polen onder druk staat, hoeft eiser daar ook geen behoorlijke en onafhankelijke rechtsbescherming te verwachten. Eiser loopt daarom in Polen een reëel risico op een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.
7.1.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel houdt in dat de minister erop mag vertrouwen dat lidstaten van de Europese Unie vreemdelingen in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het recht van de Europese Unie zullen behandelen. Het is in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.
7.2.
In zijn arrest van 29 februari 2024 heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat de lidstaat – die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een derdelander – overgaat tot pushbacks en bewaring aan zijn grensposten van derdelanders die een dergelijk verzoek aan zijn grens wensen in te dienen, op zich niet in de weg staat aan de overdracht van die derdelander aan die lidstaat. De overdracht van die derdelander aan die lidstaat is evenwel uitgesloten indien er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij of na de overdracht een reëel risico zou lopen om aan dergelijke praktijken te worden onderworpen en hij door deze praktijken – naargelang van de omstandigheden die moeten worden beoordeeld door de bevoegde autoriteiten en door de rechter bij wie eventueel beroep tegen het overdrachtsbesluit is ingesteld – zou kunnen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële ontberingen die zo ernstig is dat deze kan worden gelijkgesteld met een door artikel 4 van het Handvest verboden onmenselijke of vernederende behandeling.
7.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van 29 februari 2024 volgt dat het plaatsvinden van pushbacks en de inbewaringstelling van derdelanders die een verzoek om internationale bescherming willen indienen in een lidstaat, niet maakt dat de minister ten aanzien van die lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarvoor is nog steeds vereist dat er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat een derdelander bij of na de overdracht aan die lidstaat een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 december 2024 bevestigd dat de bewijslast hiervoor nog steeds bij de desbetreffende derdelander ligt.
7.4.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 4 september 2024 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Polen nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet kan. De stukken die eiser heeft overgelegd ter betwisting hiervan dateren allen van vóór 4 september 2024. De rechtbank kan niet achterhalen of de Afdeling deze informatie bij haar uitspraak heeft betrokken. Ten aanzien van eisers verwijzing naar het rapport van Vluchtelingenwerk Nederland overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft aangegeven op grond waarvan deze informatie tot de conclusie moet leiden dat er niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Reeds daarom slaagt deze verwijzing niet. Ten aanzien van eisers verwijzing naar de rapportages van Amnesty International overweegt de rechtbank dat eiser hierbij wel een summiere nadere onderbouwing heeft gegeven. Deze onderbouwing ziet echter op de situatie van mensen die de grens tussen Wit-Rusland en Polen oversteken en heeft geen relatie tot de positie van eiser. Eiser zal immers als Dublinclaimant terugkeren naar Polen en komt niet in die grenszone terecht. Eiser heeft voorts niet nader onderbouwd dat hij als Dublinclaimant geen toegang zal krijgen tot de asielprocedure in Polen. Dat eiser naar eigen zeggen in Polen geen toegang heeft gehad tot de asielprocedure en ook bij terugkeer niet zal krijgen maakt dit niet anders.
7.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Getuigt het bestreden besluit van onevenredige hardheid?
8. Eiser voert aan dat overdracht aan Polen in zijn geval onevenredig hard is. Hij heeft namelijk een broer en zus in Nederland wonen waar hij veel contact mee heeft.
9. De minister kan besluiten een asielaanvraag te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de Dublinverordening. Dit staat in artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening. Uit paragraaf C2/5 van de Vc 2000 volgt dat de minister in ieder geval gebruik maakt van deze bevoegdheid als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Volgens dezelfde paragraaf maakt de minister terughoudend gebruik van deze bevoegdheid.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in eisers geval geen bijzondere, individuele omstandigheden spelen die maken dat overdracht aan Polen van onevenredige hardheid getuigt.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Zaaknummer NL22.25588.
ECLI:EU:C:2024:195.
Verordening (EU) 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:5359.
ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ECLI:NL:RVS:2024:3456.
Vluchtweb Vluchtelingenwerk Nederland Veelgestelde vragen – Dublinterugkeerders Polen, augustus 2024.
Amnesty International: Persbericht Polen/Belarus: nieuw bewijs van mishandelingen toont hypocrisie ongelijke behandeling van asielzoekers, 11 april 2022 en Geweld door Belarussische troepen tegen vluchtelingen en migranten na pusbacks vanuit de EU, 20 december 2021.
Vreemdelingencirculaire 2000.