Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:17756
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,775 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.4787 (beroep) en NL25.4788 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 januari 2025 niet in behandeling genomen, omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesbelang
4. De minister heeft de rechtbank een bericht gestuurd waarin staat dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken uit het asielzoekerscentrum. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd en aangegeven dat hij nog contact heeft met eiser. Dit is voldoende om procesbelang aan te nemen.
Beroepsgronden
5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Ten eerste gaat de minister in het voornemen niet in op hetgeen eiser tijdens zijn gehoor heeft aangevoerd. Daardoor heeft eiser in de bestuurlijke fase niet kunnen reageren op de argumenten van de minister om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Ten tweede gaat de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd in op de zienswijze en de overgelegde bewijzen. De minister gaat ten onrechte niet in op het bestaan van een relatie tussen eiser en [naam] . De minister moet in deze procedure beoordelen of de relatie aannemelijk is en kan niet enkel verwijzen naar de asielprocedure van [naam] . Daarbij is volgens eiser van belang dat zijn komst naar Nederland, de communicatie daarover en de (financiële) hulp van [naam] bij elkaar opgeteld een sterke indicatie geven voor het bestaan van een relatie.
Beoordeling
6.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat sprake is van een standaard voornemen. De rechtbank overweegt daartoe dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Ook als de verklaringen van eiser niet kenbaar zijn betrokken in het voornemen heeft eiser door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid om te reageren op het voornemen. De minister beoordeelt vervolgens alle argumenten uit het aanmeldgehoor en uit de zienswijze in het bestreden besluit. Volgens de rechtbank is deze handelwijze niet onzorgvuldig. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister in het voornemen voldoende duidelijk uiteen heeft gezet op grond van welke redenen Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en ook dat de minister geen reden ziet om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
6.2.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat de gestelde relatie niet aannemelijk is geacht. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom de relatie tussen eiser en [naam] niet aannemelijk is gemaakt. De minister heeft daarbij kunnen verwijzen naar de besluitvorming in de asielprocedure van [naam] waarin de relatie tussen eiser [naam] ongeloofwaardig is bevonden. Ook heeft de minister belang mogen hechten aan de verklaring van [naam] in zijn procedure dat hij geen relatie meer heeft met eiser. Het oordeel van de minister over de relatie tussen eiser en [naam] is gevolgd door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam en is inmiddels bevestigd door de Afdeling. De ongeloofwaardigheidsbeoordeling van de minister over onder andere de relatie tussen eiser en [naam] staat daarmee in rechte vast. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat de minister in de besluitvorming rekening heeft gehouden met de door eiser overgelegde bewijstukken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in deze zaak een zelfstandig oordeel moest geven over de geloofwaardigheid van de relatie. De minister is in deze zaak immers alleen gehouden om te beoordelen of sprake is van gezinsleden in het kader van de Dublinverordening. De vraag of eiser homoseksueel is vanwege zijn gestelde relatie met [naam] moet worden beantwoord in de asielprocedure in Denemarken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Omdat op het beroep is beslist zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4348).
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Uitspraak van 24 oktober 2024, NL24.25890.
Uitspraak van 27 januari 2025, 202406601/1/V2.
Zie de overwegingen hierover op pagina 3 van het bestreden besluit.