Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:17754
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,659 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.12561 (beroep) en NL25.18264 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. De minister heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 13 maart 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 18 april 2025 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om de rechtsgevolgen van het besluit van 13 maart 2025 op te schorten, zolang niet op het beroepschrift is beslist. Er is volgens eiser sprake van spoedeisend belang, omdat de minister heeft bepaald dat eiser op 25 april 2025 om 11:50 uur wordt overgedragen aan de Franse autoriteiten.
1.2.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op
22 april 2025 om 16:00 uur een reactie op het verzoek van eiser in te dienen. De rechtbank heeft ondanks diverse rappels geen reactie ontvangen.
1.3.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en het verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Ten aanzien van het beroep
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eiser betoogt dat de minister ten aanzien van Frankrijk niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser is in Frankrijk sprake van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op het AIDA-rapport van 2022 en de update uit 2023 waaruit blijkt dat 38% van de asielzoekers in Frankrijk geen opvang had en dat klagen bij de Franse autoriteiten niet erg kansrijk is. In dit kader is volgens eiser ook relevant dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid als kwetsbaar is aan te merken.
4.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat voor Frankijk in het algemeen kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van zodanige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen dat niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser is hier niet in geslaagd. Uit een uitspraak van de Afdeling van oktober 2023 blijkt dat uit het AIDA Country Report: France (update 2022) weliswaar kan worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn dat bij een overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. Hier komt nog bij dat de Afdeling zeer recent heeft geoordeeld dat het meest recente AIDA-rapport waarop eiser zich beroept geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Frankrijk voor Dublinclaimanten dan naar voren is gekomen uit de landeninformatie die bij voorgaande uitspraken is betrokken en onvoldoende is voor het oordeel dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De door eiser ingebrachte stukken geven geen aanleiding om van die rechtspraak af te wijken.
4.2.
Voor zover eiser doelt op een bijzondere kwetsbaarheid in de zin van het arrest Tarakhel, overweegt de rechtbank dat eiser geen medische documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat er behoefte bestaat aan bijzondere zorg of medische voorzieningen én dat deze zorg in Frankrijk niet voorhanden is. Dat hij een afspraak heeft voor het maken van een röntgenfoto van de longen (zie ook hierna) is hiervoor niet toereikend. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de artikelen 31 en 32 van de Dublinverordening, waarin waarborgen zijn opgenomen om de overdracht van kwetsbare personen op zorgvuldige wijze te laten plaatsvinden.
Artikel 17 van de Dublinverordening
5. Eiser voert verder aan dat de minister gelet op eisers individuele omstandigheden het asielverzoek onverplicht aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser is vanwege zijn geaardheid gevlucht uit Nigeria en heeft uitvoerig verklaard over de angst die hij heeft voor de Nigeriaanse maffia, in de vorm van de man die onder valste voorwendselen een Frans visum voor hem heeft geregeld. Die man bedreigt hem en zijn familie met de dood. Eiser heeft hiervan ook een transcript van een telefoongesprek overgelegd. Ook heeft hij aangegeven dat hij bij overdracht naar Frankrijk zeker weet dat de drugscriminelen hem weer zullen vinden. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 februari 2024.
5.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. De minister maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat in dit geval sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten afgezien van een overdracht aan Frankrijk vanwege onevenredige hardheid. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden dat de Franse autoriteiten en dat niet is gebleken dat de Franse autoriteiten eiser niet zouden kunnen helpen. De door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Die uitspraak ziet niet alleen op een andere en niet-vergelijkbare situatie maar dateert bovendien van vóór de hierboven aangehaalde Afdelingsuitspraak van 11 april 2025. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is gelet op het voorgaande kennelijk ongegrond.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
7. Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, om de geplande overdacht te voorkomen. Ter onderbouwing van dit verzoek verwijst eiser naar de gronden van beroep ingediend in de beroepszaak tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag. Daarnaast heeft eiser een uitnodiging overgelegd voor het maken van een röntgenfoto van de longen op 1 mei 2025 door de GGD Zaanstreek-Waterland.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de door eiser ingediend beroepsgronden in de beroepszaak hiervoor zijn beoordeeld en dat deze beroepsgronden niet slagen. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen grond voor het treffen van de voorlopige voorziening. De omstandigheid dat eiser een afspraak heeft bij de GGD Zaanstreek-Waterland brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Als eiser meent dat hij medische hulp nodig heeft, kan hij zich hiervoor wenden tot de Franse autoriteiten. Niet is gesteld of gebleken dat eiser voor zijn medische behandeling is gebonden aan Nederland.
8. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Conclusie
9. Het beroep is kennelijk ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
The Asylum Information Database.
Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State.
Uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.
AIDA Country Report: France (2023 Update).
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
NL24.2985 en NL24.2986.
Hoofdstuk C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.