Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:17752
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,021 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21072
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Liberiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.G. Brands),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. D. Post).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 31, eerste lid van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 4 mei 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Een tolk was aanwezig.
Het bestreden besluit
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart dat hij homoseksueel is en dat hij zich niet veilig voelt in Liberia, omdat homoseksualiteit daar strafbaar is. Eiser verklaart ook dat er een aantal incidenten heeft plaatsgevonden, waarbij mensen hem hebben aangevallen vanwege zijn gerichtheid, waardoor hij gevaar liep. Eiser heeft in Nederland gestudeerd, maar is in juni 2021 teruggekeerd naar Liberia. Daarna is hij zeer ernstig bedreigd, waarna hij heeft besloten om het land te ontvluchten.
4.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
-identiteit, nationaliteit en herkomst:
-homoseksuele gerichtheid.
4.2.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, omdat eiser ze heeft onderbouwd met documenten. Maar eisers geloofwaardige identiteit, nationaliteit en herkomst leiden niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Liberia. Eisers homoseksuele gerichtheid is ongeloofwaardig, omdat eisers verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Aan eiser wordt ook tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk na zijn terugkeer in Nederland in de zomer van 2021 heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Dit, evenals de terugkeer naar Liberia in juni 2021 zonder dat de positie voor LHBTI daar is verbeterd, weegt negatief mee in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister concludeert dat de asielaanvraag ongegrond is. Een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiser moet binnen vier weken vertrekken naar Liberia.
Beoordeling
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Wat eiser hiertoe in de gronden van het beroep aanvoert zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
Verwijzing naar zienswijze
6. Eiser verzoekt al hetgeen in de zienswijze is aangevoerd, als herhaald en ingelast te beschouwen. De enkele verwijzing naar de zienswijze kan echter niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. Met de verwijzing in de gronden van beroep geeft eiser niet concreet aan waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet toereikend is. Gelet hierop zal de rechtbank eisers beroep beoordelen op basis van de in beroep nader uitgewerkte gronden.
Heeft de minister de homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat in de zienswijze door hem al uitgebreid is verklaard waarom hij zich niet kan vinden in de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn seksuele gerichtheid. Eiser stelt dat deze beoordeling per definitie subjectief van aard is. De doelstelling van deze minister is om het strengste asielbeleid ooit te voeren en dan wekt het geen verbazing dat de verklaringen van eiser als vaag en ongerijmd zijn beoordeeld. Eiser stelt dat hij aan zijn verklaringen over zijn ontdekking van zijn homoseksualiteit en proces van acceptatie uitvoerig niets heeft toe te voegen. Eiser verzoekt de rechtbank om een onafhankelijk oordeel te geven over de oprechtheid en geloofwaardigheid met betrekking tot zijn gerichtheid. Eiser vindt het in dit verband opmerkelijk dat de minister niet langer betwist dat eiser alleen tegenover zijn moeder openheid van zaken heeft gegeven over zijn homoseksuele gerichtheid. Eiser acht het onlogisch dat de minister dit als geloofwaardig aanneemt, maar desondanks blijft vasthouden aan twijfel over zijn seksuele gerichtheid.
7.1.
De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt en zal hieronder uitleggen waarom zij oordeelt dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is.
Geloofwaardigheidsbeoordeling seksuele gerichtheid
8. Het zwaartepunt van de beoordeling ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. De minister moet daarbij de verklaringen van een vreemdeling over de verschillende in werkinstructie 2019/17 genoemde thema’s in hun onderlinge samenhang en in het licht van de overige verklaringen en eventueel overgelegd bewijsmateriaal bezien.
8.1.
Eisers betoog dat het onbegrijpelijk is dat hem enerzijds niet langer wordt tegengeworpen dat hij zijn moeder heeft verteld over zijn gerichtheid en anderzijds nog steeds twijfel bestaat over zijn homoseksuele gerichtheid, kan niet slagen. De omstandigheid dat één specifiek element uit het voornemen niet langer wordt tegengeworpen in het bestreden besluit, betekent immers niet dat daarmee de gehele
geloofwaardigheidsbeoordeling vervalt, nu de geloofwaardigheidsbeoordeling berust op een integrale weging van alle relevante feiten en omstandigheden. De minister heeft in het bestreden besluit deugdelijk en uitgebreid gemotiveerd op welke gronden is geconcludeerd dat de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid in zijn geheel ongeloofwaardig is. De minister heeft afdoende gemotiveerd dat eiser op cruciale onderdelen van zijn relaas ongerijmde, vage, summier, ongerijmde en algemene verklaringen heeft afgelegd waardoor hij onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn persoonlijke belevingswereld, de omgang met en ontdekking van de door hem gestelde seksuele gerichtheid. Hierna zal dit nader beoordeeld worden aan de hand van eisers beroepsgronden.
Bewustwording en acceptatie
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn realisatie dat hij homoseksueel is en over zijn acceptatie daarvan algemeen, oppervlakkig, vaag en ongerijmd zijn. Daarbij heeft de minister mogen wijzen op eisers verklaring dat hij in het algemeen een emotionele aantrekkingskracht voelde ten aanzien van jongens binnen de gemeenschap, met wie hij een innige band had door gedeelde interesses. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor hen iets anders voelde dan alleen vriendschap. De enkele verklaring van eiser dat het verschil tussen vriendschap en aantrekking is dat het kan escaleren naar een niveau waarin er emotionele aantrekking tot elkaar wordt gevoeld, heeft de minister een algemene en vage omschrijving mogen vinden. Eisers verklaringen dat hij contact probeerde te hebben met meisjes in plaats van met jongens, maar dat dat hem tegenstond en hij daardoor ging beseffen dat hij zich beter voelde als hij toegaf aan de liefde voor jongens, dat hij steeds minder naar de kerk ging en zichzelf heeft geaccepteerd en zich daarover blij voelde, heeft de minister oppervlakkig en algemeen mogen vinden. Zoals de minister heeft overwogen, heeft eiser met deze verklaringen en zijn aanvullingen daarop in correcties en aanvullingen en de zienswijze, onvoldoende inzicht gegeven in zijn persoonlijke beleving. Dat eiser stelt dat zijn verklaringen over de bewustwording en acceptatie uitgebreid zijn, heeft de minister dan ook niet hoeven volgen. Zoals de minister stelt, mag van eiser verwacht worden dat eiser over deze levensveranderende periode meer kan verklaren dan hij nu heeft gedaan. Dit temeer nu eiser afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit is verboden en hijzelf heeft verklaard dat er in Liberia personen zijn gedood vanwege hun homoseksualiteit.
Tegenstrijdigheid verklaringen over relaties (2006-2008)
8.3.
Eiser stelt dat hem wordt tegengeworpen dat hij tegenstrijdige verklaringen zou hebben afgelegd over het hebben van relaties in de periode 2006-2008. Eiser stelt dat zijn verklaring dat hij zich niet meer zou herinneren of hij in die periode een relatie had is veroorzaakt door miscommunicatie. Hij betwist uitdrukkelijk ooit te hebben verklaard dat hij in die periode een relatie heeft gehad, met wie dan ook. Eiser kan zich niet meer exact herinneren hoe de vraag destijds is gesteld, maar hij weet nog wel dat hij daarop heeft geantwoord dat hij zich niet kon herinneren dat hij eerder heeft verklaard in deze periode een relatie te hebben gehad.
8.4.
Ook deze beroepsgrond kan niet slagen. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over relaties in vermelde periode tegenstrijdig zijn. Daarbij heeft de minister enerzijds mogen betrekken dat eiser enerzijds verklaart dat hij zich niet meer kan herinneren of hij een relatie heeft gehad en anderzijds (ook in beroep) dat hij geen relaties heeft gehad in deze periode. Van een miscommunicatie op dit punt tijdens het gehoor is niet gebleken. Bovendien heeft de minister hierbij ook mogen betrekken dat het ongeloofwaardig is dat eiser zich niet kan herinneren of hij in deze periode een relatie heeft gehad, gelet op de impact die de door hem gestelde seksuele gerichtheid op zijn leven had en de impact die daarom een eventuele relatie op eiser zou hebben gehad.
Tegenwerping gebrek aan kennis over LHBTIQ+-gemeenschap in Nederland
8.5.
Eiser stelt dat kennis van en betrokkenheid bij LHBTIQ+-belangenorganisaties in Nederland geen vereiste is voor de geloofwaardigheid van zijn gestelde homoseksuele gerichtheid.
Conclusie
10. De minister heeft de aanvraag op goede gronden afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft en dat hij terug dient te keren naar Liberia. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 31, zesde lid, onder c, Vw.
Artikel 31, zesde lid, onder d, Vw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:300.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754.
Bld. 11 nader gehoor.
Bld. 12 nader gehoor.
Bld. 13 nader gehoor.
Bld. 12 nader gehoor.
Bld. 12 nader gehoor.
Bld. 24 nader gehoor.
Bladzijde 13 nader gehoor.
Bladzijde 28 en 29 nader gehoor.
Bladzijde 27 en 28 nader gehoor.
Beoordeling
Hij wijst nogmaals naar zijn verklaringen en zijn zienswijze.
8.6.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd aan eiser heeft tegengeworpen dat uit zijn verklaringen over LHBTIQ+-organisaties hier te lande volgt dat eiser geen kennis hierover heeft en ook geen moeite heeft gedaan om informatie hierover te zoeken. Eisers beroepsgrond heeft de minister niet op een ander standpunt hoeven brengen. Daarbij is van belang dat sprake is van een integrale beoordeling, waarbij kennis van de LHBTIQ+-gemeenschap slecht als een onderdeel van alle van belang zijnde omstandigheden is betrokken.
Ontsnappingen aan belagers
9. Verder stelt eiser dat de minister de ontsnappingen ten onrechte ongeloofwaardig vindt, omdat deze eenvoudig zouden zijn verlopen. Eiser heeft in zijn zienswijze toegelicht hoe de ontsnappingen zijn verlopen en dat deze helemaal niet op eenvoudig zijn verlopen. Ten onrechte is deze nadere toelichting buiten beschouwing gelaten.
9.1.
Eisers betoog volgt de rechtbank niet. De minister heeft in het voornemen en in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom de manier waarop eiser meermaals stelt te zijn ontsnapt aan zijn belagers -via een achterraam of achterdeur zonder dat iemand dat merkte of achter hem aankwam- ongeloofwaardig is. Dat eiser in zijn zienswijze stelt wel te zijn opgemerkt en achtervolgd, kan aan die conclusie niet afdoen. Van eiser mag verwacht worden dat hij zijn relaas tijdens het gehoor volledig overtuigend uiteen kan zetten, met name nu het gaat om een kernonderdeel van zijn asielrelaas. Zoals de minister ook op de zitting heeft toegelicht, kan een aanvulling in de zienswijze zonder nadere uitleg van eiser waarom hij een en ander eerst in de zienswijze verklaart niet leiden tot een ander oordeel.
Terugkeer naar Liberia
9.2.
De minister heeft eveneens op goede gronden tegengeworpen dat eiser inconsistent heeft verklaard over zijn terugkeer naar de werkplek in Monrovia waar hij, naar eigen zeggen, al eerder was bedreigd. De minister stelt niet terechte dat niet valt in te zien waarom eiser in juni 2021 gezien de eerdere problemen is teruggekeerd naar deze werkplek. Eiser heeft hierover geen eenduidige verklaringen heeft afgelegd, nu hij het enerzijds heeft over dat hij niet is teruggekeerd om te werken, maar dat hij daar enkel een afspraak had, dacht dat de problemen wel zouden zijn overgewaaid en dat hij zijn oude collega’s toch niet zou zien en anderzijds over zijn enthousiasme voor een mogelijke terugkeer naar zijn werk en het terugzien van collega’s. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat deze inconsistentie afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers relaas. Dat eiser twee jaar is weggeweest uit Liberia en hij in de veronderstelling verkeerde dat de mensen hem helemaal vergeten zouden zijn, heeft de minister een onvoldoende verklaring voor deze inconsistentie mogen vinden.
9.3.
Ter zitting is door eiser nog gesteld dat hij na zijn eerdere vertrek uit Liberia zou zijn teruggekeerd om voor zijn zusjes te zorgen na het overlijden van hun moeder. Volgens eiser zou dit de belangrijkste reden zijn geweest voor zijn terugkeer in 2021. De rechtbank overweegt dat de minister terecht stelt dat deze stelling geen steun vindt in eisers verklaringen. Uit bladzijde 27 van het nader gehoor blijkt dat eiser, desgevraagd, heeft verklaard dat hij is teruggekeerd naar Liberia om weer te gaan werken en ‘door te gaan met leven’. Over een zorgtaak voor zijn zusjes heeft hij in dat verband niets vermeld. Evenmin blijkt uit zijn eerdere verklaringen dat dit, pas ter zitting gesteld motief, een rol zou spelen in de beslissing om terug te keren naar een omgeving waarover hij stelt eerder ernstig te zijn belaagd en risico’s te hebben ervaren vanwege zijn seksuele gerichtheid. Daar komt bij dat eiser op bladzijde 29 van het nader gehoor heeft verklaard dat gedurende zijn eerdere afwezigheid zijn tante voor zijn zusjes zorgde: ‘in mijn afwezigheid zorgde zij voor de meiden.’ Dit wijst erop dat er alternatieve zorg beschikbaar was binnen de familiekring. Eiser heeft op de zitting ook verklaart dat hij ervan uit gaat dat tante ook op dit moment nog zorgt voor zijn zusjes. De zorg door tante voor de zusjes, ook al ten tijde van eisers eerdere verblijf in Nederland, doet afbreuk aan eisers standpunt dat hij zich gedwongen voelde om terug te keren om die zorg op zich te nemen. De minister heeft dan ook niet ten onrechte gesteld dat ook deze nieuwe verklaring van eiser niet kan leiden tot een andere uitkomst.
Samenwerkingsverplichting
9.4.
Anders dan eiser stelt, is het de rechtbank overigens niet gebleken dat door de minister onvoldoende is doorgevraagd op zijn verklaringen. Na lezing van het nader gehoor stelt de rechtbank vast dat geprobeerd is om meer inzicht te krijgen in de redenen om terug te keren naar Liberia en over de wijze waarop eiser heeft kunnen ontsnappen aan zijn belagers. Vragen zijn meerdere malen op verschillende wijzen geformuleerd en eiser is voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn verhaal te vertellen en uit te leggen. De minister heeft ook doorgevraagd over de redenen van terugkeer naar Liberia en zijn oude werkplek, terwijl eiser op de hoogte was van hoe er in dat land wordt gedacht over homoseksualiteit en eiser wist dat zijn collega’s op de hoogte waren van de door hem gestelde gerichtheid. De minister is op één en ander inzichtelijk ingegaan in het voornemen en heeft eiser de gelegenheid gegeven om op dat voornemen een zienswijze uit te brengen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister geen of onvoldoende invulling aan de zogenoemde samenwerkingsplicht heeft gegeven.
Ten slotte
9.5.
Gelet op het voorgaande heeft de minister de seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De schriftelijke toelichting van eiser van 29 augustus 2025, zoals opgenomen bij het beroepschrift, bevat, naar het oordeel van de rechtbank, geen nieuw of aanvullend feitencomplex, maar vormt een herhaling van wat eiser eerder naar voren heeft gebracht.