Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:17703
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,913 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.26985, NL25.26987, NL25.26992 en NL25.26995
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer], eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen
[minderjarige 1]
, V-nummer: [V-nummer], [minderjarige 2], V-nummer: [V-nummer], en [minderjarige 3], V-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. F. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).
Inleiding
Op 16 juni 2025 heeft de minister eiseres en haar minderjarige kinderen in vreemdelingenbewaring (bewaring) gesteld, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiseres is het hier niet mee eens en heeft tegen de maatregelen van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De minister heeft op 26 juni 2025 de maatregelen van bewaring opgeheven.
Het beroep is op 30 juni 2025 op een zitting aan de orde gesteld. De gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister hebben zich afgemeld voor de behandeling op zitting.
Beoordeling
1. Eiseres stelt dat zij de Afghaanse nationaliteit heeft en dat zij is geboren op [1995].
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres en haar minderjarige kinderen een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De gronden van de maatregelen van bewaring
3. In de maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregelen nodig waren, omdat er een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht aan Kroatië als bedoeld in de Dublinverordening en er een significant risico bestond dat eiseres zich met haar kinderen aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over haar identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, haar op haar initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek, en zij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres de zware gronden onder 3d en 3e niet heeft betwist. De rechtbank oordeelt dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Eiseres heeft bij haar asielaanvraag in Kroatië andere persoonsgegevens opgegeven. Ook stelt eiseres dat zij de Afghaanse nationaliteit heeft, maar uit informatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Dubai is gebleken dat zij de Pakistaanse nationaliteit heeft. Eiseres heeft dus niet meegewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit en heeft bij haar aanvraag om toelating onjuiste gegevens verstrekt.
5. De zware gronden onder 3d en 3e zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Hieruit volgt ook het significante risico dat eiseres zich met haar kinderen aan het toezicht zou onttrekken. De geschilpunten over de overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Het lichter middel
6. Eiseres stelt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregelen van bewaring, zoals een meldplicht. Eiseres voert daartoe aan dat zij altijd heeft voldaan aan haar meldplicht. Ook heeft zij jonge kinderen. Verder heeft de minister onvoldoende betrokken dat haar schoonbroer in Nederland woont en dat zij dus een opvangnetwerk heeft.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden en de motivering daarvan volgt dat er een significant risico was dat eiseres zich met haar kinderen aan het toezicht zou onttrekken. Daar komt bij dat eiseres in de vertrekgesprekken en ook nog in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregelen van bewaring (p. 8) heeft verklaard dat zij niet wil meewerken aan de overdracht aan Kroatië. Een meldplicht of een verblijfplaats bij haar schoonbroer bood daarom onvoldoende garantie dat eiseres zou meewerken aan de overdracht. Verder heeft de minister een verzwaarde belangenafweging gemaakt voor de minderjarige kinderen van eiseres. De minister heeft er onder andere op gewezen dat het in hun belang is om bij hun moeder te blijven, dat er geen medische problemen zijn gebleken, en dat de bewaring zo kort mogelijk zal duren. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing.
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregelen van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek onrechtmatig waren. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 juli 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.