Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:17699
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,904 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37038
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1985, van de Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
de Minister van Asiel en Migratie
, de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarbij eiser is aangezegd dat hij de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de minister is, met bericht van verhindering, niemand verschenen.
Overwegingen
Bestreden besluit
1. In het terugkeerbesluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft. Eiser kan geen documenten overleggen waaruit zijn rechtmatigheid blijkt zoals vermeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). De minister heeft ook een risico op onttrekking aangenomen en daaraan twee lichte gronden ten grondslag gelegd, te weten dat eiser:
b. zich niet aan één of meer andere voor de vreemdeling geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
Heeft de minister ten onrechte geen rekening gehouden met het kind van eiser?
2.1.
Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig is en onvoldoende gemotiveerd. Hij heeft in Nederland een dochter, die hij ook erkend heeft. Wanneer eiser moet terugkeren naar Turkije zal hij geen contact meer met zijn dochter kunnen hebben. Eiser is van mening dat de minister hiermee rekening had moeten houden bij het nemen van het terugkeerbesluit.
2.2.
De rechtbank is stelt voorop – en dit is ook niet in geschil – dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser – ten tijde van de oplegging van het terugkeerbesluit – onrechtmatig in Nederland verbleef. De minister heeft om die reden terecht aan eiser de verplichting opgelegd om terug te keren naar Turkije. Hij beschikte immers niet over een verblijfsrecht. Tijdens het gehoor is eiser expliciet gevraagd of hij kinderen en/of familie in Nederland heeft. Eiser verklaarde toen alleen dat hij vier ooms en een nicht heeft die in Nederland wonen. Nu eiser niets over een dochter heeft verklaard, heeft de minister deze omstandigheid terecht niet hoeven meewegen. In zoverre heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Heeft de minister aan eiser een vertrektermijn mogen onthouden?
3.1.
Als tweede grond voert eiser aan dat er ten onrechte geen vertrektermijn aan eiser is gegund omdat sprake zou zijn van onttrekkingsgevaar. Er zijn twee lichte gronden aan eiser tegengeworpen, namelijk dat hij niet in het bezit is van documenten om hier rechtmatig te kunnen verblijven en dat hij geen vaste woon of verblijfplek heeft. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de minister ten aanzien van de meeste zware gronden kan volstaan met een toelichting op de feitelijke juistheid, maar dat bij de lichte gronden een nadere toelichting op het onttrekkingsrisico noodzakelijk is. Omdat de lichte gronden niet nader zijn toegelicht, is het terugkeerbesluit onvoldoende gemotiveerd. Op zitting heeft de gemachtigde van eiser nog verwezen naar een beschikking van 13 januari 2025 op de aanvraag van eiser om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER waarin staat vermeld dat eiser ingeschreven staat in het BRP. Dit betekent dat de feitelijke vaststelling dat eiser geen vaste woon- of verblijfplek heeft niet kan kloppen.
3.2.
De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover van belang, de vreemdeling, nadat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, Nederland binnen vier weken dient te verlaten. Deze termijn kan op grond van het tweede lid van dit artikel worden verkort tot nul dagen indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan toezicht zal onttrekken. Van deze bevoegdheid heeft de minister in deze zaak gebruik gemaakt. De vraag is of de minister in dit geval een vertrektermijn aan eiser heeft kunnen onthouden.
3.3.
Het risico op onttrekking kan worden aangenomen als zich ten minste twee (zware of lichte) gronden voordoen, als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb. Zoals de gemachtigde van eiser terecht aanhaalt, volgt uit de aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling dat de minister ten aanzien van de meeste zware gronden kan volstaan met een toelichting op de feitelijke juistheid, maar dat bij de lichte gronden een nadere toelichting op het onttrekkingsrisico noodzakelijk is.
3.4.
In het geval van eiser heeft de minister twee lichte gronden opgevoerd. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat er geen motivering heeft plaatsgevonden waarom de toepassing van de lichte gronden ertoe leiden dat er sprake is van onttrekkingsgevaar. De rechtbank stelt daarmee vast dat de minister in het bestreden besluit het onttrekkingsgevaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie
4.1.
Het beroep van eiser is gegrond omdat de minister het onttrekkingsgevaar in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover het betreft het verkorten van de vertrektermijn.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover aan eiser is opgedragen om onmiddellijk de EU te verlaten;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Genoemd in artikel 4.21 Vreemdelingenwet 2000.
Uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Eiser doelt onder andere op pagina 8 van die beschikking waar staat vermeld dat uit het BRP blijkt dat eiser zich op 14 mei 2023 in Nederland heeft gevestigd.