Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:17697
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,553 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3480
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1990, van Colombiaans nationaliteit, eiseres,
(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en
de Minister van Asiel en Migratie
, de minister.
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 22 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2025. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen en hebben toestemming gegeven de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt of de minister een inreisverbod voor de duur van twee jaar mocht uitvaardigen aan eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunt eiseres
3. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Zij doet hierbij een beroep op artikel 8 van het EVRM. Volgens haar had de minister een belangenafweging moeten maken en is geen ‘fair balance’ getroffen. Zij stond namelijk op het punt om Nederland te verlaten. Eiseres heeft in Nederland een duurzame partner. Momenteel is zij zich in Colombia aan het voorbereiden op het inburgeringsexamen. Nadat het examen is behaald, zal haar partner in Nederland de procedure starten voor van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Omdat de voorbereidingen voor het examen een lange tijd in beslag nemen, zou eiseres graag nog in het kader van de vrije termijn naar Nederland kunnen reizen om haar partner te bezoeken. Met het huidige inreisverbod is dat niet mogelijk.
Beoordeling
5.1.
Op 21 december 2023 is aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Dit terugkeerbesluit staat in rechte vast. Op diezelfde dag is ook het voornemen bekend gemaakt om aan haar een inreisverbod van twee jaar op te leggen. Uit de stukken volgt dat eiseres toen heeft afgezien van de mogelijkheid om gehoord te worden. Aan haar is kenbaar gemaakt dat zij achteraf nog een zienswijze kan indienen.
5.2.
De rechtbank constateert dat eiseres achteraf geen zienswijze meer heeft ingediend. Bij de KMar heeft zij niets verklaard over haar relatie of enige aanleiding gegeven waarom de minister zou moeten afzien van het inreisverbod. De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres voorafgaand aan de uitvaardiging van het inreisverbod niet met de minister heeft willen spreken over eventuele relevante aspecten van haar in beroep gestelde familie- en privéleven. Dit betekent dat de minister bij de uitvaardiging van het inreisverbod hier geen rekening mee heeft kunnen houden. De beroepsgrond dat de minister geen belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM en geen ‘fair balance’ heeft getroffen, slaagt om die reden niet.
Nadere beroepsgrond
6.1.
Eiseres heeft op 13 maart 2025, één dag voor de zitting, een aanvullende beroepsgrond ingediend. Deze grond houdt in dat de minister ten onrechte is overgegaan tot oplegging van een inreisverbod voor de duur van twee jaar. In het geval van eiseres had slechts een inreisverbod van één jaar moeten worden opgelegd omdat er sprake was van een termijnoverschrijding van ongeveer 17 dagen. Eiseres is het Schengengebied ingereisd op
4 september 2023. Dit is te zien op de stempel in haar paspoort. Zij is uitgereisd op
21 december 2023.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende beroepsgrond te laat is ingediend en daarom in strijd is met de goede procesorde. Overigens merkt de rechtbank op dat eiseres een inreisverbod van twee jaar is opgelegd omdat de duur van de vrije termijn niet kon worden vastgesteld. Wanneer deze niet kan worden vastgesteld wordt deze aangemerkt als een overschrijding van meer dan 90 dagen. Haar argument dat zij op 4 september 2023 het Schengengebied is ingereisd, kan de rechtbank niet volgen. Uit het dossier blijkt namelijk dat het paspoort van eiseres pas op 14 september 2023 is afgegeven in Bern, Zwitserland. Het is voor de rechtbank niet duidelijk hoe eiseres met dit paspoort het Schengengebied is ingereisd voorafgaand aan de afgifte van haar paspoort. Zij heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd.
6.3.
Ten slotte merkt de rechtbank op dat de minister in haar verweerschrift naar voren brengt dat eiseres een verzoek om opheffing van het inreisverbod kan doen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
Koninklijke Marechaussee.
Zie proces-verbaal van bevindingen voornemenprocedure inreisverbod onder 5.
Zie Opheffing inreisverbod Nederland aanvragen | Wetten en regelingen | Rijksoverheid.nl.