Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-01
ECLI:NL:RBDHA:2025:17682
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,535 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.454
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juni 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 december 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en de moeder van eiser, [referente] (referente). Ook was er een tolk aanwezig. Namens verweerder was niemand aanwezig.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een visum kort verblijf mocht afwijzen.
Vrijstelling griffierecht
3. Eiser heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiser wordt in deze procedure daarom (definitief) vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Waar gaat deze zaak over?
4.1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1986 en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 1 juni 2022 heeft eiser verweerder verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf om referente te bezoeken.
4.2.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf en dat er sprake is van voldoende middelen van bestaan voor zowel de duur van het verblijf als ook de terugreis niet heeft aangetoond. Daarnaast bestaat er redelijke twijfel over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum omdat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van voldoende sociale en economische binding met Iran. In het bestreden besluit wordt enkel de laatst genoemde afwijzingsgrond gehandhaafd door verweerder.
Redelijke twijfel over tijdige terugkeer
5.1.
Eiser voert aan dat het vestigingsgevaar, vanwege het ontbreken van voldoende sociale en economische binding, onjuist is getoetst. Eiser verwijst in dit kader naar het arrest Koushkaki en merkt op dat het Hof beklemtoont dat de beoordeling van de aanvraag een complexe evaluatie impliceert, waarbij gekeken moet worden naar de persoon van de aanvrager, zijn integratie in het land waarin hij woont, zijn politieke, sociale en economische situatie, alsmede de eventuele bedreiging die aanvrager zou vormen voor de openbare orde. Eiser benadrukt hierbij dat de economische en sociale binding in samenhang moeten worden beoordeeld. Dit klemt des te meer daar in het bestreden besluit op geen enkele manier is ingegaan op de omstandigheid dat referente, welke over voldoende inkomen beschikt, een verklaring heeft afgegeven dat zij garant staat voor de kosten welke eiser moet maken voor haar verblijf in Nederland, en hiermee ook voor een eventuele repatriëring. Bovendien heeft eiser bewijs overgelegd van het feit dat hij werkzaam is in Iran, dat hij daar beschikt over een woning, gehuwd is, en dat er voldoende banksaldo is. Uit het bestreden besluit blijkt van het feit dat deze omstandigheden zijn meegewogen, echter naar de mening van eiser niet dat dit in onderlinge samenhang is beoordeeld en heeft verweerder de redelijke twijfel dat eiser Nederland niet zou verlaten niet voorzien van een onderbouwing.
5.2.
In artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn de gronden opgenomen op basis waarvan een visum geweigerd kan worden. Deze weigeringsgronden zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Verweerder heeft een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden van toepassing is. De rechtbank kan het bestreden besluit daarom slechts terughoudend toetsen.
5.3.
Eén van de gronden waarop verweerder een visum kan weigeren, is als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Verweerder moet bij het beoordelen van het voornemen om tijdig terug te keren een individueel onderzoek van de visumaanvraag verrichten waarin rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en, aan de andere kant, diens persoonlijke omstandigheden, met name diens gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in een van de lidstaten en zijn banden in het land waarin diegene woont en in de lidstaten. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum, maar moet bepalen of er redelijke twijfel over dat voornemen bestaat.
5.4.
Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om tijdig naar het land van herkomst terug te keren, mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van eiser met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren toe- of afnemen. In het kader van de sociale binding heeft verweerder meegewogen dat eiser gehuwd is en dat zijn echtgenote niet meereist naar Nederland. Op zitting heeft de moeder van eiser echter verklaard dat eiser al jaren gescheiden is. Ook heeft verweerder meegewogen dat de moeder en de jongere broer van eiser in Nederland verblijven op basis van een verblijfsvergunning asiel en op basis van nareis en dat de vader van eiser zich in Nederland wil vestigen. Dit blijkt uit een aanvraag van de vader voor een MVV welke is afgewezen en waarbij het beroep nog open staat. Verder is niet gesteld of gebleken dat eiser de zorg heeft voor directe familieleden of in staat zou zijn om hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser zouden dwingen tijdig naar Iran terug te keren. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid kunnen aannemen dat eiser niet een zodanige sociale binding heeft met Iran dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.
5.5.
Ten aanzien van de economische binding heeft verweerder meegewogen dat niet blijkt dat er daadwerkelijk economische activiteiten worden verricht en inkomsten worden gegenereerd. De door eiser overgelegde ‘business license’ is daarvoor onvoldoende. Ook de overgelegde bankafschriften van Bank Mellat die op naam staan van eiser tonen dit niet aan. Immers, de stortingen die op de bankrekening hebben plaatsgevonden, zijn niet te herleiden tot inkomsten gegenereerd uit de gestelde werkzaamheden als ‘owner /distributive’. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser daadwerkelijk economisch actief is en over een regelmatig, substantieel en verifieerbaar inkomen beschikt om zelfstandig in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en dat hij economisch is gebonden aan Iran. Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn koophuis op elk moment kan verkopen.
5.6.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld en deugdelijk gemotiveerd dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
6.1.
Eiser voert aan dat verweerder niet had mogen afzien van het horen van eiser. Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een richtinggevende uitspraak gedaan over horen in bezwaar in vreemdelingenzaken op grond waarvan de IND Werkinstructie 2022/20 (Horen en mandatering in bezwaar) aangepast heeft. In de aangepaste werkinstructie is opgenomen dat “als in bezwaar blijkt dat de belanghebbende nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd of als er nog onduidelijkheden bestaan over het te beoordelen feitencomplex, in beginsel gehoord moet worden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid vanmr.J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. .
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.