Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:17483
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,035 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43584
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is, bijgestaan door zijn gemachtigde, gehoord via een videoverbinding. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft gezien eisers lopende asielaanvraag van 5 september 2025 de maatregel van bewaring terecht gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, waarbij volgens verweerder sprake is van een risico op onttrekking. Als zware gronden zijn daartoe in de maatregel vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle zware gronden en de lichte gronden 4a, 4c en 4d. Hiertoe voert hij aan dat hij dat hij met de in beroep overgelegde documenten een begin van bewijs heeft geleverd om zijn identiteit aan te tonen. Verder is hij op gereguleerde wijze in het kader van de Dublinverordening door Zweden overgedragen aan Nederland. Daarnaast is eiser nimmer gevraagd naar de redenen van zijn vertrek en was hij ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit niet in Nederland. Ook is het voor eiser onmogelijk om met de autoriteiten van zijn land van herkomst in contact te komen. Tot slot is eiser direct na de overdracht in bewaring gesteld, zodat hij niet in de gelegenheid was om het nodige, zoals een verblijfplaats, te regelen.
4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het opleggen van de in de maatregel genoemde zware gronden alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt niet over een paspoort of visum en hij is volgens zijn verklaringen eerder op een niet voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen. Verder is niet in geschil dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. De zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring zelfstandig dragen. De overige zware en lichte gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
5. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser doet een beroep op het arrest Ararat en de recente uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Daarmee geeft hij aan dat hij bij terugkeer een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarnaast is hij gehuwd en heeft hij een minderjarige zoon, zodat sprake is van gezinsleven en dient het belang van het kind mee te worden gewogen bij de belangenafweging.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Voor zover eiser een beroep doet op het arrest Ararat en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025 treft dat geen doel, omdat de Terugkeerrichtlijn in eisers geval niet van toepassing is. Eiser is namelijk in bewaring gesteld vanwege een lopende asielaanvraag. Verder heeft eiser geen gezinsleven in Nederland nu zijn gestelde echtgenote en minderjarige zoon in Frankrijk verblijven. Daarnaast heeft het gestelde gezinsleven geen invloed op de vraag of verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel.
7. Tot slot heeft eiser opgemerkt dat gegevens over de voortgang van de asielprocedure ontbreken.
8. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder tot nu toe onvoldoende voortvarend handelt. Op verzoek van eiser heeft op 16 september 2025 een gesprek plaatsgevonden. Verder heeft verweerder ter zitting kenbaar gemaakt dat op 23 september 2025 een asielgehoor zal plaatsvinden en dat volgens huidige planning op 25 september 2025 een voornemen zal worden uitgebracht.
9. Ook verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 september 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Proces-verbaal van gehoor van 5 september 2025, p. 5 van 10.
HvJEU 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
ABRvS 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.