Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:1747
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,666 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4063
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 27 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 9 januari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft op 28 januari 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Ook heeft eiser verzocht om herziening van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats Middelburg van 14 januari 2025 (NL25.747 en NL25.52255), waarbij eisers vorige beroep tegen de oplegging van de maatregel van bewaring en het terugkeerbesluit ongegrond is verklaard.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 4 februari 2025 gesloten.
Overwegingen
Herzieningsverzoek
1. Op verzoek van een partij kan een onherroepelijk geworden uitspraak worden herzien. In de uitspraak van 14 januari 2025 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring van 27 december 2024 (NL25.52255) en het terugkeerbesluit van diezelfde datum (NL25.747). Aangezien thans nog hoger beroep aanhangig is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) voor zover de uitspraak ziet op de maatregel van bewaring (NL25.52255) en tegen de uitspraak over het terugkeerbesluit (NL25.747) nog tot en met 11 februari 2025 de mogelijkheid van hoger beroep openstaat, is geen sprake van een onherroepelijk geworden uitspraak. De rechtbank is dan ook niet bevoegd om over te gaan tot herziening van de uitspraak van 14 januari 2025. De rechtbank heeft om die reden het verzoek om herziening, met toepassing van artikel 6:15 van de Awb, doorgezonden naar de Afdeling.
Beroep tegen het voortduren van de maatregel
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 14 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 januari 2025. De rechtbank toetst de rechtmatigheid van de bewaring over de periode van 8 januari 2025 tot en met 9 januari 2025.
4. Voor zover eiser stelt dat er geen sprake is van een rechtsgeldig terugkeerbesluit en geen zicht op uitzetting ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel dan reeds gegeven in haar eerdere uitspraak van 14 januari 2025. De omstandigheid dat in het formulier M133 bij de beëindiging van de maatregel is opgemerkt dat er geen zicht is op uitzicht naar Syrië, laat onverlet dat eiser gelet op het terugkeerbesluit en de overige stukken in het dossier in bewaring is gesteld met het oog op uitzetting naar Groot-Brittannië.
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring. Eisers zus woont in Nederland en hij kan bij haar verblijven. Daarnaast is er sprake van medische omstandigheden. Door de bewaring zijn de psychische klachten van eiser verergerd.
6. In de uitspraak van 14 januari 2025 heeft de rechtbank overwogen dat voldoende was gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast. Daarbij is betrokken dat eiser heeft verklaard niet bij zijn zus in Nederland te willen verblijven. Uit wat eiser nu naar voren heeft gebracht blijkt niet van het tegendeel. Bovendien blijkt niet van een onderlinge afhankelijkheid tussen eiser en zijn zus, zodat in zoverre geen aanknopingspunt bestaat voor het alsnog toepassen van een lichter middel.
Verder heeft de rechtbank in haar eerdere beoordeling overwogen dat eiser zich bij medische problemen kan wenden tot de medische dienst van het Detentiecentrum. De nu door eiser overgelegde uitdraai van zijn medisch dossier in het detentiecentrum is geen aanleiding voor een ander oordeel. De uitdraai bevat allereerst slechts gegevens tot en met 31 december 2024 en ziet dus niet op de te toetsen periode tussen 8 januari 2025 en 9 januari 2025. Bovendien bevestigt deze informatie de aanwezigheid van voldoende medische zorg in het Detentiecentrum en is er nog altijd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de bewaring voor eiser in verband met zijn medische gesteldheid onevenredig bezwarend is.
7. Tot slot ziet de rechtbank ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 februari 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2025:369.
Op grond van artikel 8:119, van de Awb.
Zaaknummers: NL25.747 en NL25.52255, ECLI:NL:RBDHA:2025:369.