Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:17317
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,863 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/8459
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 2 oktober 2024 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2025.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.M.A. van der Zwaag.
Overwegingen
1. Op 3 augustus 2024 om 09:30 uur stond de auto van eiser geparkeerd op een parkeerplaats aan het Noordeinde te Den Haag ter hoogte van [huisnummer] (de locatie). Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting.
2. Tijdens een controle op voormeld tijdstip is door een scanauto geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en geen geldige parkeervergunning was aangemeld. Naar aanleiding daarvan is aan eiseres een naheffingsaanslag opgelegd van € 83,45, bestaande uit € 6,75 aan parkeerbelasting en € 76,70 aan kosten van de naheffingsaanslag.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
4. Eiser stelt dat hij bezig was met laden en lossen voor zijn winkel en dat het niet mogelijk was om zijn auto open te laten vanwege te verwachten diefstal en omdat er een hond in de auto aanwezig was. Laden en lossen direct voor zijn winkel was niet mogelijk, omdat het paleis op het Noordeinde open was en de stoep vol stond met bezoekers. Verder voert eiser aan dat hij beschikt over een parkeervergunning die vlakbij geldig is en hij aldus geen noodzaak heeft om op de locatie te parkeren. De enige reden om daar te staan is dan ook om te laden en te lossen.
5. Ingevolge artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 5:1 van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (de Verordening) van de Gemeente Den Haag wordt onder de naam parkeerbelasting een belasting geheven ter zake van het parkeren van een motorvoertuig. Onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
6. Onder het onmiddellijk laden en lossen moet worden begrepen het - onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht - bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet dan gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht.
7. Verweerder moet aannemelijk maken dat sprake is van parkeren. Daartoe heeft hij met behulp van een scanauto gemaakte foto’s van de auto in een parkeervak aan het Noordeinde overgelegd. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de gemeente Den Haag een werkwijze hanteert waarbij de scanauto foto’s maakt en vervolgens wordt gecheckt of voor de gefotografeerde auto’s parkeerbelasting is betaald. Als dat niet het geval is, worden de foto’s nader bekeken om vast te stellen of rond de betreffende auto activiteiten zijn waar te nemen die duiden op het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Alleen bij waarneming van dergelijke activiteiten gaat een controleur ter plaatse kijken. Het met behulp van een scanauto controleren of de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan is toegestaan.
8. In het onderhavige geval is rond de auto geen activiteit waarneembaar. Ook anderszins bevatten de foto’s geen aanwijzingen dat sprake is van het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er daarom terecht van uitgegaan dat sprake is van parkeren en was er evenmin reden om een controleur te sturen naar de parkeerlocatie. Verweerder is met de overgelegde foto’s in de op hem rustende bewijslast geslaagd.
9. Gelet op het voorgaande rust vervolgens op eiser de bewijslast om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat desondanks sprake is geweest van het ‘onmiddellijk laden en lossen’ als hiervoor bedoeld. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Op basis van hetgeen eiser, zoals vermeld onder 4, heeft aangevoerd kan niet worden aangenomen dat sprake is van laden en lossen. Op de scanfoto’s zijn immers geen activiteiten zichtbaar. De blote stelling dat wel sprake is van laden en lossen en de korte opsomming ter zitting van wat er wekelijks bij de winkel van eiser wordt geladen of gelost zijn ook onvoldoende om tot een ander oordeel te komen nu dit niet is onderbouwd met bewijsstukken (zoals een pakbon of een getuigenverklaring). Ook het feit dat de parkeerbelasting wordt geheven met een scanauto, die slechts een momentopname maakt, kan eiser gelet op hetgeen onder 7 is overwogen, niet helpen. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van laden en lossen, heeft verweerder het stilstaan van het voertuig, gelet op al het voorgaande, terecht aangemerkt als parkeren in de zin van de verordening. De naheffingsaanslag is daarmee terecht opgelegd.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Groes, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Vgl. Hoge Raad 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760.
Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445.
Gerechtshof Den Haag 23 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1775.