Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:17315
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
900 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23904
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en
de Minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op een aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Heeft eiseres het griffierecht tijdig betaald?
4. De griffier heeft eiseres bij aangetekend verzonden brief van 25 juli 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen twee weken moet zijn voldaan. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 4 augustus 2025 om 16:45 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend.
4.1.
Voor zover eiseres zich beroept op betalingsonmacht stelt de rechtbank vast dat op 4 juli 2025 schriftelijk is verzocht om binnen een termijn van twee weken de daartoe vereiste bewijsstukken op te sturen. Dat heeft eiseres niet gedaan. De rechtbank heeft eiseres vervolgens op 24 juli 2025 schriftelijk laten wetend dat het verzoek om vrijstelling griffierecht op die reden is afgewezen en dat zij alsnog een nota zou ontvangen die zij binnen de gestelde betalingstermijn diende te betalen.
5. Eiseres heeft het griffierecht niet (op tijd) betaald.
Conclusie
6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van P.W. Karsowidjojo, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.