Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:17044
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,698 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40426
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 4 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Er is ook een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard te zijn geboren op [geboortedatum 1] en de Somalische nationaliteit te bezitten. Eiser stelt te behoren tot de [bevolkingsgroep] bevolkingsgroep. De ouders van eiser zijn in [jaartal 1] vermoord en een dag later zou eiser door Al-Shabaab zijn gebeld via de telefoon van zijn vader. Eiser is toen bedreigd door Al Shabaab, waarna hij is gevlucht naar Mogadishu. Vanuit Mogadishu is eiser met behulp van een reisagent naar Griekenland vertrokken. Eiser vreest bij terugkeer door Al Shabaab te worden gedood.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:1) Eiser identiteit, nationaliteit en herkomst2) Bedreigingen door Al Shabaab4.1. De minister heeft eisers naam, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Eisers geboortedatum is niet geloofwaardig, omdat eiser wisselend heeft verklaard over zijn leeftijd tijdens zijn gehoren. Om deze reden is de leeftijdsregistratie door de Griekse autoriteiten, te weten [geboortedatum 2], aangehouden. De bedreigingen door Al Shabaab zijn door de minister ook ongeloofwaardig bevonden. Volgens de minister voldoet eiser niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a en c, van de Vw 2000. Uit de geloofwaardig geachte nationaliteit en herkomst van eiser volgt niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Somalië komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Ook loopt eiser volgens de minister bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade.
5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Leeftijdsregistratie in Griekenland5.1. Eiser voert aan dat de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 het uitgangpunt dient te zijn met betrekking tot eisers identiteit en de daaraan gekoppelde leeftijd. In Griekenland heeft een leeftijdsbeoordeling plaatsgevonden waar niet zonder meer van kan worden uitgegaan op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook al is op basis van eisers eigen verklaringen aangesloten bij de Griekse leeftijdsregistratie, dit laat onverlet dat uit het bestreden besluit niet blijkt of en in hoeverre de minister rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Dit leidt tot een motiveringsgebrek, aldus eiser.5.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd waarom is uitgegaan van de leeftijdsregistratie in Griekenland. De minister heeft terecht overwogen dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn geboortedatum. Eiser heeft verklaard dat hij ten tijde van de aanvraag in Griekenland ([jaartal 2]) 17 jaar oud was, terwijl eiser ook verklaard heeft te zijn geboren in [jaartal 3]. Daarnaast heeft eiser tijdens het schouwgehoor verklaard met hetzelfde geboortejaar in Griekenland geregistreerd te staan als in Nederland, namelijk [jaartal 4]. Later in het gehoor heeft eiser verklaard dat zijn geboortedatum in Griekenland verkeerd is geregistreerd. Eiser heeft ook geen indicatieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat van de verkeerde datum wordt uitgegaan, zodat de minister de leeftijdsregistratie in Griekenland heeft kunnen aanhouden. De rechtbank volgt eiser daarnaast niet in zijn stelling dat het referentiekader van eiser, namelijk zijn jeugdige leeftijd en ontwikkeling, onvoldoende zou zijn betrokken bij de beoordeling. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat uit de verklaringen van eiser zou kunnen blijken dat hij niet heeft begrepen wat aan hem is gevraagd. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat dit niet uit de gehoren valt af te leiden. Uit de gehoren blijkt immers niet dat eiser de vragen niet heeft begrepen. Daarnaast zijn op verschillende momenten verduidelijkende vragen gesteld. Ook uit de correcties en aanvullingen blijkt niet dat eiser de vragen niet zou hebben begrepen. Door eiser is verder niet onderbouwd op welke punten het referentiekader onvoldoende zou zijn meegewogen, zodat de beroepsgrond niet slaagt.Problemen met Al-Shabaab5.3. Eiser voert aan dat uit het voornemen onvoldoende blijkt op welke gronden kan worden aangenomen dat eiser meer had moeten kunnen verklaren over de gebeurtenissen thuis en ten tijde van de begrafenis. De begrafenis heeft direct na de ingrijpende gebeurtenissen plaatsgevonden. Daarnaast was eiser geshockeerd. Onder deze omstandigheden weet eiser een aantal zaken niet te benoemen, wat in het licht van de beschreven gebeurtenissen begrijpelijk is. Dit wordt in het bestreden besluit onvoldoende onderkend. Eiser stelt verder dat de minister ten onrechte tegengeworpen heeft dat eiser geen concrete en duidelijke informatie heeft kunnen geven over de inhoud van de bedreiging. Eiser wijst nadrukkelijk op pagina 8 van het gehoor van 21 januari 2025, waar eiser heeft verklaard dat Al Shabaab hem heeft gebeld, dat zij hebben verklaard zijn vader te hebben gedood omdat hij niet met hen wilde werken en dat eiser hetzelfde lot zou staan te wachten als hij niet met hen zou willen werken. De minister is hieraan voorbij gegaan, wat leidt tot een motiveringsgebrek. Uit deze verklaringen volgt eveneens dat eiser zijn vrees voor Al Shabaab concreet en individualiseerbaar heeft gemaakt, nu hij heeft verklaard wat er in het telefoongesprek is besproken in relatie tot zijn vader. Eiser voert tot slot aan dat het gegeven dat leden van Al Shabaab in de publieke ruime aanwezig zijn, niet tegenstrijdig is met het gegeven dat eiser in zijn zoektocht naar een smokkelaar de betreffende jongens op straat heeft aangesproken. Eiser heeft hierbij een risico-inschatting gemaakt, waarbij moet worden opgemerkt dat eiser twee jongens heeft aangesproken en bijvoorbeeld niet een alleenstaande persoon/man. Het is volgens eiser onbegrijpelijk dat door de minister wordt erkend dat eiser onder hoge druk heeft gestaan, maar dat de minister niet meegaat in de risicoafweging die eiser heeft geschetst. 5.4. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van eiser mocht worden verwacht dat hij uitgebreider kon verklaren over het verloop van de dag. Uit de besluitvorming blijkt dat de minister, gelet op eisers referentiekader en eisers afwezigheid tijdens de moord op zijn ouders, niet van eiser verwacht dat hij op de hoogte was van de gebeurtenissen ten tijde van de moord op zijn ouders. Wel verwacht de minister dat eiser uitgebreider kon verklaren over de gebeurtenissen bij hem thuis en ten tijde van de begrafenis. De rechtbank volgt de minister hierin. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat de gestelde problemen met Al Shabaab de kern vormen van eisers asielrelaas zodat van hem verwacht mag worden dat hij meer hierover vertelt. De minister heeft in dit licht kunnen tegenwerpen dat eiser niet heeft kunnen vertellen wie de personen waren die de lichamen van eisers ouders kwamen brengen en op welk moment van de dag dit was. De minister heeft dan ook niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat van hem meer gedetailleerde verklaringen mogen worden verwacht over de kern van zijn asielrelaas.
5.5.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister eisers verklaringen over de inhoud van het telefoongesprek niet ten onrechte vaag heeft geacht. De minister heeft ter zitting nader toegelicht dat het vaag is bevonden dat eiser eerst enkel heeft verklaard dat Al Shabaab telefonisch zou hebben aangegeven dat zij zijn vader zouden hebben vermoord en eiser hetzelfde lot als zijn vader zou staan te wachten. Nadat eiser is bevraagd naar zijn moeder heeft eiser pas verklaard dat Al-Shabaab heeft aangegeven dat zij beide ouders zouden hebben vermoord. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers verklaringen over de inhoud van de bedreiging niet onrechte tegengeworpen als vaag.
Conclusie
6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2024:3992.