Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:1694
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,908 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47929
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [geboortedatum] ,
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Inleiding
1. Bij besluit van 29 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Ook was een tolk aanwezig.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de minister, ondanks het feit dat eisers beroep gegrond is verklaard, de aanvraag niet alsnog in behandeling hoeft te nemen en eiser mag overdragen aan Kroatië. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek tot terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 17 september 2024 aanvaard.
Is de minister terecht uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser stelt de minister ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat Kroatië zich niet houdt aan de internationale verplichtingen. Eiser heeft verklaard dat hij in Kroatië is geslagen door de politie en dat de politieagent hem heeft verteld dat hij aan de kant van de Iraakse regering staat. Ook heeft eiser in detentie gezeten. Eiser is behandeld in strijd met internationale verdragen. Eiser heeft daarom geen enkel vertrouwen in de autoriteiten van Kroatië. In deze context kan niet van eiser verwacht worden dat hij een klacht indient.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen tegenover Dublinclaimanten nakomt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 9 oktober 2024 geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië geen sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en dat Dublinclaimanten niet te vrezen hebben voor pushbacks. Dit oordeel is bij uitspraak van
5 december 2024 nog eens bevestigd. Het is dan ook aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling.
4.2.
De minister stelt op goede gronden dat eiser hierin niet is geslaagd. Eiser heeft zich in overgrote mate op informatie beroepen die al door de Afdeling is meegewogen in de genoemde uitspraken. De Afdeling heeft kort samengevat overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat Dublinterugkeerders te maken krijgen met pushbacks en dat er in beginsel geen obstakels voor hen zijn om toegang tot de asielprocedure te krijgen na overdracht. Niet is gebleken van structurele tekortkomingen voor wat betreft de opvangvoorzieningen. De minister heeft mogen stellen dat eiser met zijn verklaringen over wat hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De minister heeft hierbij van belang mogen vinden dat eiser heeft verklaard dat hij niet heeft geprobeerd om over zijn situatie te klagen bij de Kroatische autoriteiten om zo zijn situatie te verbeteren, terwijl dit wel van hem verwacht mag worden. Niet is gebleken dat klagen voor hem niet mogelijk was of op voorhand zinloos. De verklaringen van eiser over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan bovendien over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië aan de grens is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen. Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant, met een claimakkoord van Kroatië, is overgedragen aan Kroatië. Bij voorkomende problemen in Kroatië dient eiser zich, na overdracht aan Kroatië, te beklagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet met landeninformatie of aan de hand van zijn eigen verklaringen aannemelijk gemaakt dat dit in Kroatië voor Dublinclaimanten niet kan of zinloos is. De enkel niet nader onderbouwde stelling dat een politieagent aan eiser heeft verteld aan de kant van de (Iraakse) regering te staan, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om op basis van hetgeen eiser heeft aangevoerd anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan ten aanzien van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. De grond slaagt niet.
Was er aanleiding voor de minister om de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen?
5. Eiser stelt dat de minister ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om zijn asielverzoek op grond van artikel 17 Dublinverordening aan zich te trekken. Eiser meent dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Er is sprake van bijzondere individuele omstandigheden waardoor een overdracht zou leiden tot onevenredige hardheid. Eiser doelt met name op het gegeven dat hij contact had met de Nederlandse ambassade, met Janine Plasschaert en met de eerste politiek secretaris van de Nederlandse ambassadeur. Hierover zijn niet alleen verklaringen afgelegd, maar ook de nodige documentatie. Verder wijst eiser ook op zijn ervaringen in Irak. Dat zijn aspecten die relevant kunnen zijn voor de vraag of artikel 17 Dublinverordening moet worden toegepast. Gelet op het profiel van eiser, zijn persoonlijke ervaringen in Irak en het gegeven dat hij als politiek activist kwetsbaar is, had beter gemotiveerd moeten worden waarom er geen aanleiding is gezien om het asielverzoek aan Nederland te trekken. Verder is gewezen op eisers ervaringen in Kroatië. Ter zitting is nog aangevoerd dat eiser ondertussen ook een bemiddelende rol heeft tussen de familie van Elizabeth Tsurkov en Hezbollah. Eiser heeft als politiek activist nauw heeft samengewerkt met mevrouw Tsurkov die ontvoerd is door Hezbollah. Eiser stelt dat de Nederlandse ambassade van zijn bemiddelende rol op de hoogte is en dat dit des te meer aanleiding moet zijn voor de minister om zijn asielaanvraag aan zich te trekken.
5.1.
Bij de bevoegdheid om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen, heeft de minister veel beslissingsruimte. Daarom kan de rechtbank alleen toetsen of de minister goed heeft gemotiveerd waarom zij in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft eisers gestelde persoonlijke ervaringen afdoende en voldoende gemotiveerd betrokken bij de beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere omstandigheden voordoen. Dit betekent dat eisers ervaringen in Kroatië niet kunnen leiden tot de conclusie dat de minister de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeeld de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,00 en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit;
-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2023:3411 en ECLI:NL:RVS:2024:4443
ECLI:NL:RVS:2024:5025.
Vergelijk het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308 in de zaak K.R. tegen het Verenigd Koninkrijk.
ECLI:NL:RVS:2014:3164, ECLI:NL:RVS:2024:1860, ECLI:NL:RVS:2024:4853 en ECLI:NL:RVS:2024:4941.
Zie p. 7 van het bestreden besluit, derde alinea van onderen.