Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:16773
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,218 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41010
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: T.M. de Greeuw).
Inleiding
1. Op 13 augustus 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit opgelegd aan verzoeker. Verzoeker is het daar niet mee eens en heeft daartegen beroep ingesteld. Verder heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.i
Beoordeling
2. De minister stelt zich in het terugkeerbesluit op het standpunt dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland omdat het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) is geëindigd op 4 maart 2024 en er geen andere vorm van rechtmatig verblijf is. Tot 4 september 2025 behoudt verzoeker recht op opvang en voorzieningen en mag hij blijven werken vanwege de zogenoemde bevriezingsmaatregel.ii Vanaf 4 september 2025 mag verzoeker niet meer werken en heeft hij vier weken de tijd om te vertrekken uit de opvang en uit Nederland.
3. Omdat de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 eindigt, heeft verzoeker een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
4. Gelet op de korte termijn die nog resteert voor 4 september 2025, is de voorzieningenrechter niet in staat om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven over de gronden van het beroep. De voorzieningenrechter is voornemens om het beroep van verzoeker op een zitting te behandelen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen zoals hierna wordt omschreven. Daarbij wordt overwogen dat de voorzieningenrechter toewijzing van het verzoek niet zeer ingrijpend acht. Toewijzing komt in feite slechts neer op een verlenging van de bevriezingsmaatregel bij wijze van ordemaatregel, zonder dat daarbij op enige wijze vooruitgelopen wordt op de uitkomst van het beroep. Het niet treffen van de gevraagde voorziening daarentegen kan leiden tot een situatie waarin de vreemdeling niet meer mag werken, geen recht meer heeft op voorzieningen en Nederland kan worden uitgezet, terwijl de rechtbank zich nog niet heeft uitgelaten over de in geschil zijnde vragen. Niet uitgesloten is dat uitzetting onomkeerbare gevolgen voor verzoeker kan hebben. Onder deze omstandigheden kent de voorzieningenrechter aan het belang van verzoeker om het beroep in Nederland te mogen afwachten doorslaggevend gewicht toe. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het verzoek - voor zover het betreft het aanpassen van de systemen van de IND of het SIS - toe te wijzen. Door toewijzing van het verzoek voor zover dit het recht om te werken en op voorzieningen betreft, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aan het verzoek tegemoet gekomen.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek toe;
bepaalt dat verzoeker het recht behoudt om te mogen werken en op voorzieningen en niet Nederland mag worden uitgezet - en verzoeker in zoverre dus wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de RTB op hem van toepassing is - totdat uitspraak is gedaan op het beroep;
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 september 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
i Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ii Brief van de Minister van Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer van 3 juni 2025, Kamerstukken II, 2024-2025, 19 637, nr. 3434.