Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:16599
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,691 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19252
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] (alias [aliasnaam]), v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Rog).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft op 8 november 2020 een (eerste) aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Italië heeft zich op 1 maart 2021 verantwoordelijk geacht voor deze aanvraag. Daarom heeft de minister deze asielaanvraag op 14 april 2021 niet in behandeling genomen. Het daartegen ingediende beroep is op 12 mei 2021 ongegrond verklaard. De minister heeft daarna geprobeerd om eiser op 23 juni 2021 aan Italië over te dragen. Op 25 juni 2021 heeft de minister Italië bericht over de verlenging van de overdrachtstermijn tot achttien maanden wegens onderduiken. Op 8 oktober 2021 heeft eiser zich in Ter Apel gemeld voor opvang. Daarna heeft de minister tot het aflopen van de verlengde overdrachtstermijn op 1 september 2022 nog vier pogingen gedaan om eiser aan Italië over te dragen. Op 17 november 2023 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft de minister op 10 april 2025 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 8 november 2020, de eerste asielaanvraag.
3.1.
De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of de beslistermijn is overschreden. Alleen bij overschrijding van de beslistermijn is sprake van een geldige ingebrekestelling en een ontvankelijk beroep. Daarom dient de rechtbank ook ambtshalve te beoordelen vanaf welk moment de beslistermijn is gaan lopen. Eiser betoogt dat die beslistermijn is aangevangen op 8 november 2020, de datum van de eerste asielaanvraag. Volgens de minister is de beslistermijn aangevangen op 2 september 2022, de datum dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag.
3.2.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 4 maart 2024 geoordeeld dat een besluit om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen niet een definitief besluit is op de aanvraag. Als de Dublinoverdracht niet tijdig heeft plaatsgevonden en Nederland alsnog de verantwoordelijke lidstaat wordt, betekent het oorspronkelijke buiten behandeling laten van de asielaanvraag niet dat hiermee de (eerste) aanvraag definitief is afgedaan. Met het verantwoordelijk worden valt die aanvraag weer open, zodat de minister die alsnog inhoudelijk moet behandelen. Een nieuwe aanvraag na een besluit om de eerste aanvraag niet in behandeling te nemen is geen nieuw verzoek, maar betreft nog steeds het eerste verzoek.
In de uitspraak van 2 april 2025 heeft de Afdeling hierop een uitzondering gemaakt voor de situatie dat een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt. Dan is hij niet beschikbaar tijdens de overdrachtstermijn en valt de eerste aanvraag niet open.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat eiser na zijn Dublinprocedure met onbekende bestemming is vertrokken. Uit het dossier blijkt dat de minister de Italiaanse autoriteiten op 25 juni 2021 heeft bericht dat eiser is verdwenen, als gevolg waarvan besloten is de overdrachtstermijn tot achttien maanden te verlengen. Ook heeft de minister een schermafbeelding van het interne systeem van de minister (Indigo) overgelegd, waaruit blijkt dat eiser op 23 juni 2021 zelfstandig zijn woonruimte heeft verlaten. Met het enkele betoog dat de minister de eerste asielaanvraag niet alsnog buiten behandeling heeft gesteld, weerspreekt eiser deze feiten niet.
Toch doet zich geen situatie voor als bedoeld in de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025. Eiser heeft zich tijdens de verlengde overdrachtstermijn op 8 oktober 2021 gemeld bij het Aanmeldcentrum in Ter Apel en op basis daarvan weer opvang gekregen. Eiser was vanaf die datum weer beschikbaar voor de Nederlandse autoriteiten. Ook kan uit deze melding worden afgeleid dat bij eiser nog een asielwens bestond. Eiser was dus, anders dan de betrokkene in de zaak die ten grondslag lag aan de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025, niet ondergedoken op het moment dat de uiterste overdrachtsdatum verstreek. Daarom is de asielaanvraag van 8 november 2020 opengevallen en diende de minister daarop te beslissen. Gelet op artikel 42, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is die beslistermijn aangevangen op 2 september 2022, omdat Nederland wegens het verstrijken van de (verlengde) overdrachtstermijn op die datum verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser.
3.4.
Het beroep is ontvankelijk en gegrond. De minister moest uiterlijk binnen zes maanden na 2 september 2022 op de aanvraag beslissen, dus uiterlijk 2 maart 2023. De minister heeft deze beslistermijn met de inwerkingtreding van WBV 2022/22 verlengd met negen maanden. Als zou worden uitgegaan van de geldigheid van WBV 2022/22, betekent dit dat de beslistermijn, met toepassing van WBV 2022/22, is geëindigd op 2 december 2023. De ingebrekestelling is na deze datum ingediend. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is meer dan twee weken na de ingebrekestelling ingesteld. Het voor vreemdelingen uit Syrië afkomstige besluitmoratorium is niet op eiser van toepassing omdat ten tijde van de inwerkingtreding daarvan – op 14 december 2024 – de beslistermijn van 21 maanden was overschreden.
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De bestuursrechter kan een termijn stellen voor het nemen van het besluit of het verrichten van een andere handeling.
4.1
Wanneer niet tijdig is beslist op een asielaanvraag acht de Afdeling een termijn van zestien weken passend, het zogenoemde 8+8-wekenmodel. De rechtbank stelt echter vast dat in deze zaak de maximale termijn van 21 maanden uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken. In dat geval halveert de rechtbank de op te leggen termijn van het 8+8-wekenmodel. De rechtbank legt dan een termijn van acht weken op voor het horen en beslissen op een asielaanvraag.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
5. De rechtbank moet aan haar uitspraak een dwangsom verbinden. Hierover hebben de rechtbanken landelijk beleid vastgesteld. De rechtbanken hanteren niet langer een bijzonder beleid voor dwangsommen in vreemdelingenzaken. Het landelijk beleid biedt ruimte om in bijzondere gevallen af te wijken. Daar ziet de rechtbank geen aanleiding voor. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 100 per dag voor elke dag waarmee de onder 4.1 genoemde termijn van acht weken wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister de onder 4.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 907, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en is verschenen op zitting. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
veroordeelt de minister tot betaling van € 907 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb.
NL21.5638 (niet gepubliceerd).
ABRvS 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:881.
ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1412.
Dit volgt uit artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en ABRvS 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020.
Zie Rechtbank Den Haag (zp. Arnhem) 15 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12538.
Dit staat in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie [website]