Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:16545
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
838 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40226
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Stap),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1. De minister heeft op 26 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste
beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 27 mei 2025. Op het tweede beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 17 juni 2025.
1.2.
De minister heeft de rechtbank op 22 augustus 2025 van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 29 augustus 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld.
Beoordeling
Toetsingskader
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2.1.
Uit de uitspraak van 17 juni 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 13 juni 2025) rechtmatig is.
Ambtshalve toetsing
3. Eiser heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank ziet in de door de minister verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 27 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9441.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 17 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16217.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.