Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:16502
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,937 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18193
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk te verklaren. Eiser voert een aantal beroepsgronden tegen dit besluit aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de minister.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister niet onzorgvuldig is en in stand kan blijven. De minister mocht uitgaan van de juistheid van het onderzoek van Bureau Documenten (het onderzoek) en heeft terecht geconcludeerd dat de door eiser overgelegde arrestatiebevelen niet zijn aan te merken als nieuwe relevante elementen of bevindingen. De minister hoefde geen rekening te houden met het feit dat eiser eerder niet in aanmerking is gekomen voor het generaal pardon. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 juni 2024 een opvolgende aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 april 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
De opvolgende asielaanvraag
3. Eiser legt aan deze opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft opnieuw asiel aangevraagd omdat hij nieuwe informatie heeft waaruit blijkt dat hij nog steeds wordt gezocht door de autoriteiten. Eiser heeft een tweetal arrestatiebevelen overgelegd waarmee hij dat meent aan te tonen. Hij kan daarom niet terugkeren naar Irak.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen nieuwe elementen of bevindingen zijn aangevoerd die relevant zijn voor de beoordeling van deze aanvraag. Hij baseert deze beslissing op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. De overgelegde arrestatiebevelen zijn op 29 september 2024 onderzocht door Bureau Documenten. De conclusie van dit onderzoek luidt dat deze documenten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of de documenten inhoudelijk juist zijn. De documenten kunnen het eerder ongeloofwaardige geachte relaas niet aannemelijk maken. De documenten zijn dus niet aan te merken als nieuwe relevante elementen of bevindingen.
Heeft de minister onzorgvuldig gehandeld door de resultaten van het onderzoek pas bij het gehoor aan eiser bekend te maken?
5. Eiser betoogt dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door de resultaten van het onderzoek pas aan hem bekend te maken bij het nader gehoor. Eiser heeft zich daardoor niet zorgvuldig kunnen voorbereiden op dat nader gehoor, terwijl de vragen die daarbij zijn gesteld vooral gingen over de resultaten van het onderzoek.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat het zorgvuldigheidsbeginsel de minister verplicht om eiser in staat te stellen om zijn standpunten te verdedigen. Dit vereist dat hij eiser de gelegenheid moet geven om te reageren op een onderzoek waarop hij zijn conclusie mede wil baseren. In dit geval heeft de minister zijn conclusie mede gebaseerd op het onderzoek. De rechtbank oordeelt dat eiser meerdere keren de gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren en zijn standpunten kenbaar te maken. Hij is in het gehoor, dus voorafgaand aan het voornemen, geconfronteerd met de bevindingen uit dit onderzoek en is in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Hij heeft die kans nogmaals gehad in de zienswijze. De rechtbank oordeelt dan ook dat er geen sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister onzorgvuldig gehandeld door uit te gaan van de juistheid van het advies zonder eiser eerst de gelegenheid te bieden om een contra-expertise uit te voeren?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte uitgaat van de juistheid van de conclusies in het advies en de minister het daarom niet mag gebruiken. Eiser voert daartoe aan dat in eerdere procedures door eiser verstrekte documenten op het ene moment als echt en op het andere moment als frauduleus zijn beoordeeld. De adviezen van Bureau Documenten zijn dus niet zo betrouwbaar als de minister stelt. Zo werd in 1998 niet getwijfeld aan de nationaliteit van eiser. Hij kreeg toen een tijdelijke verblijfsvergunning op grond van het beleid dat gold voor mensen uit Irak. In 2008 is geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking kwam voor het generaal pardon omdat zijn paspoort vals zou zijn. Datzelfde paspoort is in 2018 alsnog als echt bestempeld. Eiser voert voorts aan dat hij in zijn zienswijze heeft aangegeven dat hij op 16 april 2025 een expert had benaderd om een contra-expertise uit te kunnen voeren. Eiser kan zich niet vinden in de resultaten van het onderzoek en is ervan overtuigd dat de arrestatiebevelen afkomstig zijn uit Irak en door de politie aan zijn broer en zus zijn overhandigd. De minister had het besluit moeten aanhouden om eiser de gelegenheid te bieden die contra-expertise uit te voeren, maar heeft dat niet gedaan terwijl die contra-expertise essentieel is voor een zorgvuldige behandeling van zijn aanvraag.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies is aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. Dat volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De minister mag op een dergelijk advies afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag de minister daar niet zonder meer vanuit gaan. In dat geval dient de minister te motiveren waarom het hierin gestelde desondanks volgt.
6.1.1.
De rechtbank oordeelt dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden geeft om te twijfelen aan het onderzoek en de minister daarvan mocht uitgaan. De conclusie over de overgelegde arrestatiebevelen is helder: deze documenten zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of de documenten inhoudelijk juist zijn. De documenten kunnen het eerder ongeloofwaardige geachte relaas daarom niet aannemelijk maken. De rechtbank oordeelt dat de minister hierbij terecht stelt dat eiser geen logische verklaring heeft gegeven op basis waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de conclusies van Bureau Documenten. De minister heeft bovendien die verklaring terecht betrokken bij beoordeling van bewijswaarde van het onderzoek. De minister heeft hierbij terecht benadrukt dat het betoog dat de arrestatiebevelen mogelijk zijn opgemaakt door de partijen waarmee eiser problemen heeft om te proberen hem te pakken te krijgen, een vermoeden of een aanname betreft waarom deze documenten niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven zouden zijn. Dit is echter geen betwisting van de conclusies uit het onderzoek.
6.1.2.
Ook de enkele niet onderbouwde stelling dat een contra-expert is benaderd is geen gemotiveerde betwisting als hiervoor bedoeld. De minister heeft hierin ook geen reden hoeven zien om de besluitvorming aan te houden. Dat eiser voornemens is een tegenonderzoek te laten doen omdat hij zich niet kan vinden in de resultaten van het onderzoek en ervan overtuigd is dat de documenten afkomstig zijn uit Irak en door de politie aan zijn broer en zus zijn overhandigd, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser pas in beroep een document heeft overgelegd waaruit volgt dat er een offerte voor een contra-expertise is aangevraagd. Deze offerte heeft overigens geen vervolg gekregen.
6.1.3.
De minister heeft bovendien de stelling van eiser over de eerdere onjuiste adviezen deugdelijk gemotiveerd weerlegd door uit te leggen dat de documenten die vals zijn beoordeeld niet dezelfde zijn als de documenten die later echt zijn bevonden. De minister stelt zich op het standpunt dat over het overgelegde paspoort nooit is gesteld dat dat document vals is. De door eiser in 2008 overgelegde documenten, namelijk een identiteitskaart, nationaliteitsverklaring en rijbewijs, zijn wel beoordeeld als vals. In 2024 heeft eiser een andere identiteitskaart en nationaliteitsverklaring overgelegd die door Bureau Documenten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wel echt zijn bevonden. Het gaat hier dus om steeds andere documenten. Nu eiser ook verder geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd die aanleiding geven om te twijfelen aan de zorgvuldige totstandkoming van het onderzoek mocht de minister uitgaan van de juistheid ervan.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van der Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS 22 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG1162, r.o. 2.9.2.
Dit zou volgen uit de uitspraak van de Rb. Den Haag, zp. Roermond 15 mei 2018, NL18.6973 (niet gepubliceerd).
Onder meer ABRvS 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1764 en ABRvS 22 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2765.
ABRvS 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1764, r.o. 4.2.
Onderzoeksnummer 3487.06, zie p. 3 van het bestreden besluit.
Onderzoeksnummer 4482.09, 4435.09 en volgnummer 955219 en 955220, zie p. 3 van het bestreden besluit.
Rb. Den Haag, zp. Roermond 15 mei 2018, NL18.6973 (niet gepubliceerd).