Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:16445
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,032 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51618
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker 1],
V-nummer: [V-nummer 1]
[verzoeker 2]
,
V-nummer: [V-nummer 2]
[verzoeker 3]
V-nummer: [V-nummer 3]
[verzoeker 4]
V-nummer: [V-nummer 4]
[verzoeker 5]
V-nummer: [V-nummer 5]
[verzoeker 6]
V-nummer: [V-nummer 6]
samen: verzoekers
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verzoekers hebben op 24 december 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvragen om verlening van machtigingen tot voorlopig verblijf in het kader van verblijf als familie- of gezinslid voor verblijf bij [referent] (referent).
Bij besluit van 1 mei 2025 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers afgewezen.
Verzoekers hebben het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvragen van verzoekers heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen van verzoekers tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 187 te vergoeden. Verzoekers zullen zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit proceskosten bestuursrecht.