Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:16327
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,360 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40173
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 27 augustus 2025 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 29 augustus 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 september 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.
4. Verweerder heeft zware grond 3f laten vallen.
5. Wat eiser heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Eiser betwist niet dat hij Nederland eerder is ingereisd zonder over een paspoort met geldig visum te beschikken. Zware grond 3a is dan ook feitelijk juist. Dat eiser nu door de Belgische autoriteiten is overgedragen aan Nederland en dat eiser een asielaanvraag in Nederland heeft willen indienen, doet hieraan niet af. Wat eiser heeft aangevoerd tegen zware grond 3b doet ook niet af aan de feitelijke juistheid van die grond. Dat eiser stelt dat hij niet wist dat hij Nederland niet mocht verlaten, laat immers onverlet dat eiser zich aan het vreemdelingentoezicht heeft onttrokken door meermaals met onbekende bestemming te vertrekken. Zware gronden 3a en 3b zijn reeds voldoende om de maatregel te dragen. Hieruit volgt het risico op onttrekking aan het toezicht. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden behoeft daarom geen nadere bespreking.
6. Verder verzoekt eiser in het kader van een belangenafweging om de behandeling van zijn asielprocedure in vrijheid te mogen afwachten.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het risico op onttrekking te ondervangen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat met een lichter middel had moeten worden volstaan. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onredelijk bezwarend maken.
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot de sluiting van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 september 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.