Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:16267
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
16,488 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-693 (scheiding) en FA RK 24-3694 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/660606 (scheiding) en C/09/666856 (verdeling)
Datum beschikking: 10 juni 2025
Scheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 30 januari 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Schnoor te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.E.H. van Baarle-Overes te Bergschenkhoek.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het F9-formulier van 1 februari 2024 van de zijde van de man, met bijlage;
het F9-formulier van 5 februari 2024 van de zijde van de man, met bijlage;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 17 april 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 17 april 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige] heeft op 24 april 2025 in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.
Op 29 april 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) is verschenen [naam] .
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op 28 november 1997 te Wassenaar.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- - [de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te ’ [geboorteplaats 1] .
- Daarnaast zijn partijen de ouders van de inmiddels meerderjarigen:
- - [de meerderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 1998 te [geboorteplaats 2] ,
- - [de meerderjarige 2]¸ geboren op [geboortedatum 3] 2000 te ’ [geboorteplaats 1] ,
- - [de meerderjarige 3], geboren op [geboortedatum 4] 2002 te [geboorteplaats 1] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 14 augustus 2024 voorlopige voorzieningen getroffen inhoudende:
- toedeling van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw;
- toevertrouwing van [de minderjarige] aan de vrouw;
- een voorlopige zorgregeling tussen [de minderjarige] en de man, waarbij [de minderjarige] om de week op zaterdag (de eerste en derde zaterdag van de maand) van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de man is, waarbij geldt dat [de minderjarige] kan aangeven wanneer het hem niet uitkomt en dat hij dan met de man in onderling overleg een andere afspraak maakt;
- een voorlopige kinderalimentatie van € 428,- per maand ten behoeve van [de minderjarige] door de man aan de vrouw te betalen met ingang van de beschikkingsdatum;
- een voorlopige partneralimentatie van € 891,- per maand door de man aan de vrouw te betalen met ingang van de beschikkingsdatum.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] , in die zin dat [de minderjarige] één weekend per 14 dagen bij de man kan verblijven van vrijdag na school tot zondagavond na het avondeten, alsmede één in overleg tussen de ouders vast te stellen dagdeel per week, bij voorkeur de maandagmiddag na school tot na het avondeten, en te bepalen dat de schoolvakanties in onderling overleg en in samenspraak met [de minderjarige] dienen te worden verdeeld;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man;
- de vrouw te veroordelen tot het betalen van een vergoeding voor het gebruik van de woning, te rekenen vanaf de datum dat de man de woning heeft verlaten tot aan de datum van de overdracht van de woning van € 810,- per maand voor de periode dat de man de hypotheekrente betaalt en € 405,- per maand voor de periode dat de hypotheekrente uitsluitend door de vrouw wordt betaald, althans een dusdanig bedrag/vergoeding als de rechtbank meent dat in goede justitie zal behoren;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] , in die zin dat [de minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, in de zomervakantie drie weken en in de overige vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen tussen partijen, rekening houdend met beider werkverplichtingen en de wensen van [de minderjarige] ;
- vaststelling van kinderalimentatie van – naar de rechtbank begrijpt – € 567,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum waarop de man de echtelijke woning definitief heeft verlaten;
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van – naar de rechtbank begrijpt – € 1.000,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum waarop de man de echtelijke woning definitief heeft verlaten;
- de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap te gelasten conform
het voorstel van de vrouw;
- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.
De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van [de minderjarige] tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Beoordeling
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . Partijen zijn overeengekomen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben. De rechtbank zal conform deze overeenstemming, die in het belang van [de minderjarige] is, beslissen.
Zorgregeling
Partijen hebben ook overeenstemming bereikt ten aanzien van de reguliere zorgregeling en de verdeling van de vakanties. Zij zijn overeengekomen dat [de minderjarige] één zaterdag per veertien dagen bij de man is en dat hij ook bij de man kan overnachten als hij dat wil. Ten aanzien van de schoolvakanties zijn partijen overeengekomen dat zij de vakanties in onderling overleg en in samenspraak met [de minderjarige] zullen verdelen. De rechtbank zal deze afspraken vastleggen in het dictum.
Kinderalimentatie
Behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] afgerond € 937,- bedraagt in 2025. De rechtbank zal in haar berekening uitgaan van dit bedrag.
Draagkracht
Tussen partijen is ook niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw in het kader van de kinderalimentatie € 762,- per maand bedraagt, berekend aan de hand van een maandsalaris van € 3.475,46 bruto en rekening houdend met een IKB van € 567,55 per maand. De rechtbank zal uitgaan van dit bedrag.
Draagkracht man
Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de man € 1.446,- per maand bedraagt, uitgaande van een bruto maandsalaris van € 6.907,67 en een IKB van € 1.139,77 per maand. De rechtbank zal rekening houden met dit bedrag.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.208,- per maand (€ 762,- + € 1.446,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.446,- / 2.208,- x 937,- = € 614,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 762,- / 2.208,- x 937,- = € 323,-
samen € 937,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 614,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 323,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Partijen verschillen van mening over de zorgkorting. De man is van mening dat 25% toegepast moet worden. De vrouw is het daar niet mee eens en voert aan dat rekening moet worden gehouden met 5%. De rechtbank volgt het standpunt van de vrouw. Gelet op de huidige zorgregeling, waarbij [de minderjarige] feitelijk één zaterdag per veertien dagen bij de man is, zonder overnachting, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een hogere zorgkorting. De behoefte van [de minderjarige] bedraagt € 937,- per maand, zodat de zorgkorting € 47,- per maand bedraagt.
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 567,- per maand (€ 614,-(aandeel) -/- € 47,-(bedrag aan zorgkorting)).
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers een bedrag van € 567,- per maand aan de vrouw zal voldoen.
Partneralimentatie
Behoefte
De vrouw stelt dat haar huwelijksgerelateerde behoefte € 4.061,- per maand bedraagt. Zij heeft haar behoefte berekend aan de hand van de hofnorm. De man heeft deze huwelijksgerelateerde behoefte niet betwist, zodat de rechtbank hiermee verder zal rekenen.
Aanvullende behoefte
Tussen partijen is in geschil of de vrouw in staat is of moet worden geacht om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man is van mening dat de vrouw meer uren kan werken en daarnaast ook kostgeld kan vragen van de nog inwonende en inmiddels meerderjarige kinderen van partijen. De vrouw daarentegen voert aan dat zij niet meer uren kan werken, sterker nog, sinds oktober 2024 is zij ziek en werkt zij nog maar 18 uur per week. Ook acht zij het niet redelijk om kostgeld van de kinderen te vragen en daarmee hun kansen op de woningmarkt te verkleinen.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal de aanvullende behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de door de vrouw overgelegde loonstroken van 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vrouw een verdiencapaciteit toe te kennen en te rekenen met een dienstverband van meer dan 32 uur, gelet op dat wat de vrouw hierover naar voren heeft gebracht. De rechtbank gaat ook voorbij aan het standpunt van de man dat de vrouw kostgeld van de meerderjarige kinderen moet vragen, op de zitting is immers gebleken dat de man inmiddels niet meer financieel bijdraagt in de verzorging van de meerderjarige kinderen en dat de vrouw alle kosten draagt.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank rekening houden met een bruto maandinkomen van € 3.476,- te vermeerderen met een IKB van € 568,- per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie (€ 232,- per maand) en de premie IPBW (€ 5,- per maand). Rekening houdend met deze uitgangspunten, de kosten voor [de minderjarige] en het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget, berekent de rechtbank de aanvullende behoefte van de vrouw op een bedrag van € 1.011,- per maand netto, te weten € 1.987,- bruto. De rechtbank verwijst hierbij naar de aangehechte berekening.
Draagkracht man
De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met een bruto maandsalaris van € 6.907,67 en een IKB van € 1.139,77 per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie van € 540 en de premie AP van € 11,- per maand. Dit leidt tot een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 4.821,- per maand.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1310)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.239,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1310)]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] van € 614,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 625,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 999,- per maand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 999,- per maand aan partneralimentatie dient te betalen.
Limitering partneralimentatie
De man verzoekt de duur van een eventueel vast te stellen partneralimentatie te beperken tot twee jaar vanaf de datum dat de alimentatieverplichting ingaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om de duur van de partneralimentatie te limiteren. Zij overweegt daartoe dat het limiteren van partneralimentatie een ingrijpende beslissing is. Vanwege de ingrijpende gevolgen van limitering worden hoge eisen gesteld aan de door de alimentatieplichtige te stellen, en zo nodig te bewijzen, omstandigheden die limitering zouden rechtvaardigen. De rechtbank ziet in wat de man naar voren heeft gebracht geen aanleiding om de partneralimentatie te limiteren tot twee jaar.
Niet uitvoerbaar bij voorraad
Volgens artikel 288 Rv kan de rechter de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar volgens artikel 233 lid 1 Rv is dat niet mogelijk als uit de wet anders voortvloeit. Uit de wet vloeit op grond van artikel 826 lid 1 onder c Rv voort dat de eerder door deze rechtbank gewezen voorlopige voorziening inzake partneralimentatie op dit moment nog behoort te gelden. Daarmee verdraagt zich niet dat de beslissing op de nevenvoorziening partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarom zal de rechtbank het verzoek om uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de nevenvoorziening partneralimentatie afwijzen.
Verdeling van de gemeenschap van goederen
Niet is gesteld of gebleken dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (tekst tot 1 januari 2018) in samenhang met artikel 1:80b BW moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt geldt bovendien dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap bij helfte tussen de man en de vrouw wordt verdeeld (artikel 1:100 BW, zoals dat gold voor 1 januari 2018).
Peildatum omvang en waardering
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 30 januari 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Bestanddelen gemeenschap van goederen
Partijen hebben de volgende bestanddelen van de gemeenschap van goederen naar voren gebracht:
de echtelijke woning te Den Haag, [adres] en bijbehorende hypotheekschuld bij NIBC bank;
de inboedel van de woning;
de auto’s;
e bankrekeningen;
en flexibel krediet bij ABN-Amro en teruggave teveel betaalde rente;
de belastingteruggave 2022 en 2023;
de restitutie van NN en door de man opgenomen gelden.
ad a) de echtelijke woning en bijbehorende hypothecaire geldlening
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw in de gelegenheid wordt gesteld om de echtelijke woning over te nemen, mits zij het kan financieren. Partijen verschillen echter van mening over de vraag binnen welke termijn de vrouw de financiering rond dient te krijgen. De rechtbank zal in redelijkheid, met het oog op het belang van snelle duidelijkheid voor de man en een zorgvuldige beoordeling van de financiën van de vrouw, beslissen, zoals neergelegd onder “Beslissing”. De rechtbank zal daarbij ook bepalen dat in dat kader een nieuwe taxatie zal moeten worden opgemaakt, door beide partijen te bekostigen en waarbij beide partijen in de gelegenheid worden gesteld om aanwezig te zijn, nu de man de juistheid van de door de vrouw overgelegde taxatie betwist.
ad b) de inboedel van de echtelijke woning
Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel. Gebleken is dat de man de sieraden van de vrouw had meegenomen naar de zitting. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de man de sieraden na afloop van de zitting aan de vrouw zal overhandigen. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat de man de door hem gewenste goederen zal meenemen wanneer hij [de minderjarige] komt ophalen bij de vrouw. Mocht blijken dat er nog spullen of sieraden ontbreken, dan gaat de rechtbank ervan uit dat partijen in onderling overleg (aanvullende) afspraken zullen maken. De rechtbank zal in het dictum opnemen dat partijen de inboedel in onderling overleg zullen verdelen.
ad c) de auto’s
Partijen zijn het erover eens dat de BMW met kenteken [kenteken 1] aan de man wordt toegedeeld tegen een bedrag van € 13.400,-, onder de verplichting om de helft van dit bedrag aan de vrouw te voldoen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ter zitting is verder gebleken dat de andere twee auto’s van partijen, een Citroën DS met kenteken [kenteken 2] en een Ford Fiësta met kenteken [kenteken 3] inmiddels om niet op naam van de kinderen van partijen zijn gezet. Partijen zijn het erover eens dat deze auto’s niet in de gemeenschap vallen en dat zij over en weer niets van elkaar te vorderen hebben met betrekking tot de auto’s. Voor zover relevant, is ter zitting gebleken dat de Ford Fiësta inmiddels naar de sloop is gebracht en de Citroën DS is ingeruild voor een nieuwe auto.
ad d) de bankrekeningen
Partijen bezitten op dit moment de volgende bankrekeningen:
[bankrekening 1] op naam van beide partijen;
[bankrekening 2] op naam van beide partijen;
Spaarrekening [spaarrekening] op naam van de vrouw.
Partijen zijn het erover eens dat de bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 1] door de man zal worden voortgezet en dat het saldo op de peildatum aan hem wordt toegedeeld, onder de verplichting om de helft daarvan aan de vrouw te vergoeden. Partijen zijn het er ook over eens dat de bankrekeningen met rekeningnummers [bankrekening 2] en [spaarrekening] door de vrouw worden voortgezet en dat de saldi op de peildatum aan haar worden toegedeeld, onder de verplichting de helft ervan aan de man te vergoeden. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen.
Letselschadevergoeding
De man stelt dat (een deel van) het saldo op de bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 1] bestaat uit een aan hem uitbetaalde letselschadevergoeding. Volgens de man ziet de letselschadevergoeding op voornamelijk immateriële geleden en nog te lijden schade. De schadevergoeding is verknocht aan de man en valt daarom buiten de gemeenschap van goederen, aldus de man.
De vrouw betwist dat de letselschadevergoeding verkocht is. Zij stelt bovendien dat een groot deel van de schadevergoeding gedurende het huwelijk is aangewend om grotere uitgaven te bekostigen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de letselschadevergoeding buiten de gemeenschap te laten vallen. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat de schadevergoeding verknocht is. Hij heeft hiertoe enkel aangevoerd dat het een vergoeding van immateriële schade betreft, onder verwijzing naar de door hem overgelegde vaststellingsovereenkomst. Uit deze overeenkomst volgt echter dat aan de man een som ineens is toegekend, ter vergoeding van niet nader gespecificeerde materiële en immateriële schade.
Dictum
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 28 november 1997 te Wassenaar;
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat [de minderjarige] bij de man zal zijn één zaterdag per veertien dagen, waarbij [de minderjarige] bij de man kan overnachten als hij dat wil, alsmede gedurende een deel van de schoolvakanties in onderling overleg en in samenspraak met [de minderjarige] te verdelen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 567,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 999,- per maand aan partneralimentatie zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te ( [postcode] )
’s-Gravenhage en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen vrouw de woning zal overnemen;
b) de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
met betrekking tot de inboedel van de echtelijke woning:
bepaalt dat partijen de inboedel in onderling overleg zullen verdelen, zonder verdere verrekening van de waarde;
met betrekking tot de auto:
bepaalt dat aan de man wordt toegedeeld de BMW met kenteken [kenteken 1] tegen een bedrag van € 13.400,- en onder de verplichting om de helft van dit bedrag aan de vrouw te voldoen;
met betrekking tot de bankrekeningen:
d) Bepaalt dat de man de bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 1] voortzet, onder verrekening van de helft van het saldo per de peildatum;
e) Bepaalt dat de vrouw de bankrekeningen met rekeningnummers [bankrekening 2] en [spaarrekening] voortzet, onder verrekening van de helft van de saldi per de peildatum;
met betrekking tot de teruggave van teveel betaalde rente:
bepaalt dat de man de helft van de door hem ontvangen compensatie voor de teveel betaalde rente aan de vrouw zal voldoen;
met betrekking tot de belastingteruggave 2023 en door de man afgeloste schuld:
bepaalt dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 1.419,-;
met betrekking tot de door de man opgenomen gelden:
stelt vast dat de man een bedrag van € 500,- aan de vrouw dient te vergoeden;
*
bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan de aan de [adres] te ( [postcode] ) ’ [plaats] te blijven wonen tot zes maanden na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand;
*
bepaalt dat de vrouw vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand totdat de woning is geleverd aan de vrouw dan wel een derde, doch niet langer dan zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, een gebruiksvergoeding aan de man dient te betalen, welke gelijk is aan het door de man aan de vrouw te betalen deel van de hypotheek-
en eigenaarslasten;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
verklaart deze beschikking, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de echtscheiding en de partneralimentatie, uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.M. Vingerling, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 10 juni 2025.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:16267 text/xml public 2026-03-30T10:27:02 2025-09-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-06-10 C/09/660606 / FA RK 24-693 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16267 text/html public 2025-09-10T14:39:47 2025-09-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:16267 Rechtbank Den Haag , 10-06-2025 / C/09/660606 / FA RK 24-693 Scheiding met nevenvoorzieningen - hoofdverblijfplaats minderjarige, zorgregeling, kinderalimentatie, partneralimentatie, verdelings huwelijksgemeenschap, voortgezet gebruik echtelijke woning, gebruiksvergoeding Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 24-693 (scheiding) en FA RK 24-3694 (verdeling) Zaaknummers: C/09/660606 (scheiding) en C/09/666856 (verdeling) Datum beschikking: 10 juni 2025 Scheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 30 januari 2024 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.G. Schnoor te ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.E.H. van Baarle-Overes te Bergschenkhoek. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het F9-formulier van 1 februari 2024 van de zijde van de man, met bijlage; het F9-formulier van 5 februari 2024 van de zijde van de man, met bijlage; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - het F9-formulier van 17 april 2025 van de zijde van de man, met bijlagen; - het F9-formulier van 17 april 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen. De minderjarige [de minderjarige] heeft op 24 april 2025 in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt. Op 29 april 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) is verschenen [naam] . Feiten - Partijen zijn gehuwd op 28 november 1997 te Wassenaar. - Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: - - [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te ’ [geboorteplaats 1] . - Daarnaast zijn partijen de ouders van de inmiddels meerderjarigen: - - [de meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1998 te [geboorteplaats 2] , - - [de meerderjarige 2] ¸ geboren op [geboortedatum 3] 2000 te ’ [geboorteplaats 1] , - - [de meerderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2002 te [geboorteplaats 1] . - De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit. - Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. - Deze rechtbank heeft op 14 augustus 2024 voorlopige voorzieningen getroffen inhoudende: - toedeling van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw; - toevertrouwing van [de minderjarige] aan de vrouw; - een voorlopige zorgregeling tussen [de minderjarige] en de man, waarbij [de minderjarige] om de week op zaterdag (de eerste en derde zaterdag van de maand) van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de man is, waarbij geldt dat [de minderjarige] kan aangeven wanneer het hem niet uitkomt en dat hij dan met de man in onderling overleg een andere afspraak maakt; - een voorlopige kinderalimentatie van € 428,- per maand ten behoeve van [de minderjarige] door de man aan de vrouw te betalen met ingang van de beschikkingsdatum; - een voorlopige partneralimentatie van € 891,- per maand door de man aan de vrouw te betalen met ingang van de beschikkingsdatum. Verzoek en verweer Het verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] , in die zin dat [de minderjarige] één weekend per 14 dagen bij de man kan verblijven van vrijdag na school tot zondagavond na het avondeten, alsmede één in overleg tussen de ouders vast te stellen dagdeel per week, bij voorkeur de maandagmiddag na school tot na het avondeten, en te bepalen dat de schoolvakanties in onderling overleg en in samenspraak met [de minderjarige] dienen te worden verdeeld; - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man; - de vrouw te veroordelen tot het betalen van een vergoeding voor het gebruik van de woning, te rekenen vanaf de datum dat de man de woning heeft verlaten tot aan de datum van de overdracht van de woning van € 810,- per maand voor de periode dat de man de hypotheekrente betaalt en € 405,- per maand voor de periode dat de hypotheekrente uitsluitend door de vrouw wordt betaald, althans een dusdanig bedrag/vergoeding als de rechtbank meent dat in goede justitie zal behoren; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw; - vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] , in die zin dat [de minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, in de zomervakantie drie weken en in de overige vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen tussen partijen, rekening houdend met beider werkverplichtingen en de wensen van [de minderjarige] ; - vaststelling van kinderalimentatie van – naar de rechtbank begrijpt – € 567,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum waarop de man de echtelijke woning definitief heeft verlaten; - vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van – naar de rechtbank begrijpt – € 1.000,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum waarop de man de echtelijke woning definitief heeft verlaten; - de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap te gelasten conform het voorstel van de vrouw; - voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Echtscheiding Ontvankelijkheid Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van [de minderjarige] tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding. Inhoudelijke beoordeling De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen. Hoofdverblijfplaats Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . Partijen zijn overeengekomen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben. De rechtbank zal conform deze overeenstemming, die in het belang van [de minderjarige] is, beslissen. Zorgregeling Partijen hebben ook overeenstemming bereikt ten aanzien van de reguliere zorgregeling en de verdeling van de vakanties. Zij zijn overeengekomen dat [de minderjarige] één zaterdag per veertien dagen bij de man is en dat hij ook bij de man kan overnachten als hij dat wil. Ten aanzien van de schoolvakanties zijn partijen overeengekomen dat zij de vakanties in onderling overleg en in samenspraak met [de minderjarige] zullen verdelen. De rechtbank zal deze afspraken vastleggen in het dictum. Kinderalimentatie Behoefte Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] afgerond € 937,- bedraagt in 2025. De rechtbank zal in haar berekening uitgaan van dit bedrag.
Conclusie
De rechtbank gaat reeds daarom voorbij aan dit standpunt en zal bepalen dat het volledige saldo van de bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 1] tussen partijen verdeeld dient te worden.
ad e) het flexibel krediet bij ABN-Amro en teruggave teveel betaalde rente
Vaststaat dat dit krediet is aangegaan ter financiering van de BMW en dat het in oktober 2023 volledig is afgelost. Ook staat vast dat partijen teveel rente hebben betaald over deze lening en dat zij hiervoor een compensatie krijgen. De man erkent dit, maar stelt dat de compensatie is verrekend met de creditcard schuld. Dit heeft de man echter niet met stukken onderbouwd. De rechtbank kan daarom enkel vaststellen dat er sprake is van een teruggave, die door de man is ontvangen na de peildatum en dat de vrouw recht heeft op de helft hiervan. De rechtbank zal aldus bepalen dat de man de helft van de door hem ontvangen compensatie aan de vrouw dient te voldoen.
ad f) de belastingteruggave 2022 en 2023 en door de man afgeloste belastingschuld
Ter zitting is gebleken dat de belastingteruggave over 2022 voor de peildatum is terugbetaald. Dit bedrag wordt derhalve reeds betrokken in de verdeling in het kader van de verdeling van de banksaldi, zodat de rechtbank hier geen verdere beslissing over zal nemen.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat de belastingteruggave over 2023 na de peildatum op de bankrekening in beheer van de vrouw is gestort en dat de man hier nog de helft van dient te ontvangen. Ook is niet in geschil dat de man een bedrag van € 839,- heeft betaald aan de belastingdienst, ter aflossing van een gemeenschapsschuld. De vrouw dient derhalve nog de helft van de ontvangen belastingteruggave alsmede de helft van de door de man afgeloste schuld aan hem te vergoeden, te weten een bedrag van € 1.419,-.
Ter zitting is door en namens de vrouw aangevoerd dat dit bedrag verrekend dient te worden met de belasting over 2024, waarbij ook is aangevoerd dat de man de belastingaangifte over 2024 onjuist heeft ingevuld. Nog daargelaten of een dergelijk verzoek in dit stadium van de procedure nog moet worden toegelaten, heeft de vrouw nagelaten haar standpunt te onderbouwen met stukken. De rechtbank zal dit verzoek reeds daarom volledigheidshalve afwijzen en bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen € 1.419,-, in verband met de belastingteruggave 2023 alsmede de aflossing op een gemeenschapsschuld bij de belastingdienst.
ad g) teruggave NN en opgenomen geld
Gebleken is dat partijen nog geld zullen terugkrijgen van Nationale Nederlanden voor teveel betaalde premies voor een overlijdensrisicoverzekering die al in 2019 is opgezegd. Het verzoek tot terugbetaling is nog in behandeling. Ter zitting is door de man toegezegd dat hij de helft van het nog te ontvangen bedrag aan de vrouw zal voldoen. Omdat nog niet bekend is of partijen daadwerkelijk iets zullen ontvangen en zo ja, hoeveel, kan de rechtbank deze terugbetaling niet in het dictum opnemen. De rechtbank gaat er echter van uit dat de man zijn toezegging zal nakomen en de vrouw ook op de hoogte zal houden van de ontwikkelingen rondom het verzoek tot terugbetaling.
Daarnaast heeft de man na de peildatum een bedrag van € 1.000,- opgenomen van de gezamenlijke spaarrekening. De man heeft op de zitting toegezegd dat hij dit bedrag terug zal betalen. De rechtbank zal daarom in het dictum opnemen dat de man nog een bedrag van € 500,-, zijnde de helft van het opgenomen bedrag, aan de vrouw dient te vergoeden.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij gedurende zes maanden na de echtscheiding in de echtelijke woning kan blijven wonen. Zij stelt dat zij deze tijd ook nodig heeft om de financiering voor de echtelijke woning rond te krijgen en om nieuwe woonruimte te vinden, mocht blijken dat zij de echtelijke woning niet kan overnemen.
De man verzet zich tegen een termijn van zes maanden. Hij vindt dat de procedure al lang duurt en hij wil snel duidelijkheid over de overname van het huis door de vrouw dan wel verkoop aan een derde.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals opgenomen onder “Beslissing” wordt de vrouw in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand te onderzoeken of zij financieel in staat is om de woning over te nemen. Indien blijkt dat de vrouw niet in staat is om de overname van de woning te financieren, acht de rechtbank het redelijk dat zij nog drie maanden in de woning kan blijven en vanuit daar op zoek kan gaan naar een nieuwe woning voor haarzelf en de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen.
Gebruiksvergoeding echtelijke woning
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen voor de periode dat zij in de woning verblijft en de woning nog niet aan haar is toegedeeld. Ter zitting is toegelicht dat dit verzoek is ingegeven als extra prikkel zodat de verdeling van de echtelijke woning snel kan worden afgewikkeld.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens het huwelijk moeten partijen elkaar op grond van artikel 1:81 BW het nodige verschaffen. Tot die tijd is er geen ruimte voor een gebruiksvergoeding. Pas na ontbinding van het huwelijk (dit is na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) is een gebruiksvergoeding mogelijk. Op de zitting is gebleken dat de vrouw zowel de hypotheekaflossing als de rente volledig draagt. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de door de vrouw – na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking - aan de man te betalen gebruiksvergoeding gelijk te stellen aan de helft van de hypotheek- en eigenaarslasten van de echtelijke woning, die de man aan de vrouw verschuldigd is, zodat deze tegen elkaar weggestreept worden. Partijen zijn elkaar daarom over en weer niets meer verschuldigd.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Volledig
Draagkracht Tussen partijen is ook niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw in het kader van de kinderalimentatie € 762,- per maand bedraagt, berekend aan de hand van een maandsalaris van € 3.475,46 bruto en rekening houdend met een IKB van € 567,55 per maand. De rechtbank zal uitgaan van dit bedrag. Draagkracht man Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de man € 1.446,- per maand bedraagt, uitgaande van een bruto maandsalaris van € 6.907,67 en een IKB van € 1.139,77 per maand. De rechtbank zal rekening houden met dit bedrag. Draagkrachtvergelijking De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.208,- per maand (€ 762,- + € 1.446,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.446,- / 2.208,- x 937,- = € 614,- Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 762,- / 2.208,- x 937,- = € 323,- samen € 937,- Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 614,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 323,- per maand komt voor rekening van de vrouw. Zorgkorting Partijen verschillen van mening over de zorgkorting. De man is van mening dat 25% toegepast moet worden. De vrouw is het daar niet mee eens en voert aan dat rekening moet worden gehouden met 5%. De rechtbank volgt het standpunt van de vrouw. Gelet op de huidige zorgregeling, waarbij [de minderjarige] feitelijk één zaterdag per veertien dagen bij de man is, zonder overnachting, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een hogere zorgkorting. De behoefte van [de minderjarige] bedraagt € 937,- per maand, zodat de zorgkorting € 47,- per maand bedraagt. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 567,- per maand (€ 614,- (aandeel) -/- € 47,-( bedrag aan zorgkorting) ). Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers een bedrag van € 567,- per maand aan de vrouw zal voldoen. Partneralimentatie Behoefte De vrouw stelt dat haar huwelijksgerelateerde behoefte € 4.061,- per maand bedraagt. Zij heeft haar behoefte berekend aan de hand van de hofnorm. De man heeft deze huwelijksgerelateerde behoefte niet betwist, zodat de rechtbank hiermee verder zal rekenen. Aanvullende behoefte Tussen partijen is in geschil of de vrouw in staat is of moet worden geacht om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man is van mening dat de vrouw meer uren kan werken en daarnaast ook kostgeld kan vragen van de nog inwonende en inmiddels meerderjarige kinderen van partijen. De vrouw daarentegen voert aan dat zij niet meer uren kan werken, sterker nog, sinds oktober 2024 is zij ziek en werkt zij nog maar 18 uur per week. Ook acht zij het niet redelijk om kostgeld van de kinderen te vragen en daarmee hun kansen op de woningmarkt te verkleinen. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal de aanvullende behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de door de vrouw overgelegde loonstroken van 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vrouw een verdiencapaciteit toe te kennen en te rekenen met een dienstverband van meer dan 32 uur, gelet op dat wat de vrouw hierover naar voren heeft gebracht. De rechtbank gaat ook voorbij aan het standpunt van de man dat de vrouw kostgeld van de meerderjarige kinderen moet vragen, op de zitting is immers gebleken dat de man inmiddels niet meer financieel bijdraagt in de verzorging van de meerderjarige kinderen en dat de vrouw alle kosten draagt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank rekening houden met een bruto maandinkomen van € 3.476,- te vermeerderen met een IKB van € 568,- per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie (€ 232,- per maand) en de premie IPBW (€ 5,- per maand). Rekening houdend met deze uitgangspunten, de kosten voor [de minderjarige] en het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget, berekent de rechtbank de aanvullende behoefte van de vrouw op een bedrag van € 1.011,- per maand netto, te weten € 1.987,- bruto. De rechtbank verwijst hierbij naar de aangehechte berekening. Draagkracht man De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met een bruto maandsalaris van € 6.907,67 en een IKB van € 1.139,77 per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie van € 540 en de premie AP van € 11,- per maand. Dit leidt tot een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 4.821,- per maand. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1310)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.239,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1310)]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] van € 614,- per maand in mindering gebracht . De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 625,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 999,- per maand. Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 999,- per maand aan partneralimentatie dient te betalen. Limitering partneralimentatie De man verzoekt de duur van een eventueel vast te stellen partneralimentatie te beperken tot twee jaar vanaf de datum dat de alimentatieverplichting ingaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om de duur van de partneralimentatie te limiteren. Zij overweegt daartoe dat het limiteren van partneralimentatie een ingrijpende beslissing is. Vanwege de ingrijpende gevolgen van limitering worden hoge eisen gesteld aan de door de alimentatieplichtige te stellen, en zo nodig te bewijzen, omstandigheden die limitering zouden rechtvaardigen. De rechtbank ziet in wat de man naar voren heeft gebracht geen aanleiding om de partneralimentatie te limiteren tot twee jaar. Niet uitvoerbaar bij voorraad Volgens artikel 288 Rv kan de rechter de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar volgens artikel 233 lid 1 Rv is dat niet mogelijk als uit de wet anders voortvloeit. Uit de wet vloeit op grond van artikel 826 lid 1 onder c Rv voort dat de eerder door deze rechtbank gewezen voorlopige voorziening inzake partneralimentatie op dit moment nog behoort te gelden. Daarmee verdraagt zich niet dat de beslissing op de nevenvoorziening partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarom zal de rechtbank het verzoek om uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de nevenvoorziening partneralimentatie afwijzen. Verdeling van de gemeenschap van goederen Niet is gesteld of gebleken dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (tekst tot 1 januari 2018) in samenhang met artikel 1:80b BW moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt geldt bovendien dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap bij helfte tussen de man en de vrouw wordt verdeeld (artikel 1:100 BW, zoals dat gold voor 1 januari 2018). Peildatum omvang en waardering Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 30 januari 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Volledig
Bestanddelen gemeenschap van goederen Partijen hebben de volgende bestanddelen van de gemeenschap van goederen naar voren gebracht: de echtelijke woning te Den Haag, [adres] en bijbehorende hypotheekschuld bij NIBC bank; de inboedel van de woning; de auto’s; e bankrekeningen; en flexibel krediet bij ABN-Amro en teruggave teveel betaalde rente; de belastingteruggave 2022 en 2023; de restitutie van NN en door de man opgenomen gelden. ad a) de echtelijke woning en bijbehorende hypothecaire geldlening Partijen zijn het erover eens dat de vrouw in de gelegenheid wordt gesteld om de echtelijke woning over te nemen, mits zij het kan financieren. Partijen verschillen echter van mening over de vraag binnen welke termijn de vrouw de financiering rond dient te krijgen. De rechtbank zal in redelijkheid, met het oog op het belang van snelle duidelijkheid voor de man en een zorgvuldige beoordeling van de financiën van de vrouw, beslissen, zoals neergelegd onder “ Beslissing ”. De rechtbank zal daarbij ook bepalen dat in dat kader een nieuwe taxatie zal moeten worden opgemaakt, door beide partijen te bekostigen en waarbij beide partijen in de gelegenheid worden gesteld om aanwezig te zijn, nu de man de juistheid van de door de vrouw overgelegde taxatie betwist. ad b) de inboedel van de echtelijke woning Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel. Gebleken is dat de man de sieraden van de vrouw had meegenomen naar de zitting. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de man de sieraden na afloop van de zitting aan de vrouw zal overhandigen. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat de man de door hem gewenste goederen zal meenemen wanneer hij [de minderjarige] komt ophalen bij de vrouw. Mocht blijken dat er nog spullen of sieraden ontbreken, dan gaat de rechtbank ervan uit dat partijen in onderling overleg (aanvullende) afspraken zullen maken. De rechtbank zal in het dictum opnemen dat partijen de inboedel in onderling overleg zullen verdelen. ad c) de auto’s Partijen zijn het erover eens dat de BMW met kenteken [kenteken 1] aan de man wordt toegedeeld tegen een bedrag van € 13.400,-, onder de verplichting om de helft van dit bedrag aan de vrouw te voldoen. De rechtbank zal aldus beslissen. Ter zitting is verder gebleken dat de andere twee auto’s van partijen, een Citroën DS met kenteken [kenteken 2] en een Ford Fiësta met kenteken [kenteken 3] inmiddels om niet op naam van de kinderen van partijen zijn gezet. Partijen zijn het erover eens dat deze auto’s niet in de gemeenschap vallen en dat zij over en weer niets van elkaar te vorderen hebben met betrekking tot de auto’s. Voor zover relevant, is ter zitting gebleken dat de Ford Fiësta inmiddels naar de sloop is gebracht en de Citroën DS is ingeruild voor een nieuwe auto. ad d) de bankrekeningen Partijen bezitten op dit moment de volgende bankrekeningen: [bankrekening 1] op naam van beide partijen; [bankrekening 2] op naam van beide partijen; Spaarrekening [spaarrekening] op naam van de vrouw. Partijen zijn het erover eens dat de bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 1] door de man zal worden voortgezet en dat het saldo op de peildatum aan hem wordt toegedeeld, onder de verplichting om de helft daarvan aan de vrouw te vergoeden. Partijen zijn het er ook over eens dat de bankrekeningen met rekeningnummers [bankrekening 2] en [spaarrekening] door de vrouw worden voortgezet en dat de saldi op de peildatum aan haar worden toegedeeld, onder de verplichting de helft ervan aan de man te vergoeden. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen. Letselschadevergoeding De man stelt dat (een deel van) het saldo op de bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 1] bestaat uit een aan hem uitbetaalde letselschadevergoeding. Volgens de man ziet de letselschadevergoeding op voornamelijk immateriële geleden en nog te lijden schade. De schadevergoeding is verknocht aan de man en valt daarom buiten de gemeenschap van goederen, aldus de man. De vrouw betwist dat de letselschadevergoeding verkocht is. Zij stelt bovendien dat een groot deel van de schadevergoeding gedurende het huwelijk is aangewend om grotere uitgaven te bekostigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de letselschadevergoeding buiten de gemeenschap te laten vallen. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat de schadevergoeding verknocht is. Hij heeft hiertoe enkel aangevoerd dat het een vergoeding van immateriële schade betreft, onder verwijzing naar de door hem overgelegde vaststellingsovereenkomst. Uit deze overeenkomst volgt echter dat aan de man een som ineens is toegekend, ter vergoeding van niet nader gespecificeerde materiële en immateriële schade. De rechtbank gaat reeds daarom voorbij aan dit standpunt en zal bepalen dat het volledige saldo van de bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 1] tussen partijen verdeeld dient te worden. ad e) het flexibel krediet bij ABN-Amro en teruggave teveel betaalde rente Vaststaat dat dit krediet is aangegaan ter financiering van de BMW en dat het in oktober 2023 volledig is afgelost. Ook staat vast dat partijen teveel rente hebben betaald over deze lening en dat zij hiervoor een compensatie krijgen. De man erkent dit, maar stelt dat de compensatie is verrekend met de creditcard schuld. Dit heeft de man echter niet met stukken onderbouwd. De rechtbank kan daarom enkel vaststellen dat er sprake is van een teruggave, die door de man is ontvangen na de peildatum en dat de vrouw recht heeft op de helft hiervan. De rechtbank zal aldus bepalen dat de man de helft van de door hem ontvangen compensatie aan de vrouw dient te voldoen. ad f) de belastingteruggave 2022 en 2023 en door de man afgeloste belastingschuld Ter zitting is gebleken dat de belastingteruggave over 2022 voor de peildatum is terugbetaald. Dit bedrag wordt derhalve reeds betrokken in de verdeling in het kader van de verdeling van de banksaldi, zodat de rechtbank hier geen verdere beslissing over zal nemen. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de belastingteruggave over 2023 na de peildatum op de bankrekening in beheer van de vrouw is gestort en dat de man hier nog de helft van dient te ontvangen. Ook is niet in geschil dat de man een bedrag van € 839,- heeft betaald aan de belastingdienst, ter aflossing van een gemeenschapsschuld. De vrouw dient derhalve nog de helft van de ontvangen belastingteruggave alsmede de helft van de door de man afgeloste schuld aan hem te vergoeden, te weten een bedrag van € 1.419,-. Ter zitting is door en namens de vrouw aangevoerd dat dit bedrag verrekend dient te worden met de belasting over 2024, waarbij ook is aangevoerd dat de man de belastingaangifte over 2024 onjuist heeft ingevuld. Nog daargelaten of een dergelijk verzoek in dit stadium van de procedure nog moet worden toegelaten, heeft de vrouw nagelaten haar standpunt te onderbouwen met stukken. De rechtbank zal dit verzoek reeds daarom volledigheidshalve afwijzen en bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen € 1.419,-, in verband met de belastingteruggave 2023 alsmede de aflossing op een gemeenschapsschuld bij de belastingdienst. ad g) teruggave NN en opgenomen geld Gebleken is dat partijen nog geld zullen terugkrijgen van Nationale Nederlanden voor teveel betaalde premies voor een overlijdensrisicoverzekering die al in 2019 is opgezegd. Het verzoek tot terugbetaling is nog in behandeling. Ter zitting is door de man toegezegd dat hij de helft van het nog te ontvangen bedrag aan de vrouw zal voldoen. Omdat nog niet bekend is of partijen daadwerkelijk iets zullen ontvangen en zo ja, hoeveel, kan de rechtbank deze terugbetaling niet in het dictum opnemen. De rechtbank gaat er echter van uit dat de man zijn toezegging zal nakomen en de vrouw ook op de hoogte zal houden van de ontwikkelingen rondom het verzoek tot terugbetaling. Daarnaast heeft de man na de peildatum een bedrag van € 1.000,- opgenomen van de gezamenlijke spaarrekening. De man heeft op de zitting toegezegd dat hij dit bedrag terug zal betalen. De rechtbank zal daarom in het dictum opnemen dat de man nog een bedrag van € 500,-, zijnde de helft van het opgenomen bedrag, aan de vrouw dient te vergoeden.
Volledig
Voortgezet gebruik echtelijke woning De vrouw verzoekt te bepalen dat zij gedurende zes maanden na de echtscheiding in de echtelijke woning kan blijven wonen. Zij stelt dat zij deze tijd ook nodig heeft om de financiering voor de echtelijke woning rond te krijgen en om nieuwe woonruimte te vinden, mocht blijken dat zij de echtelijke woning niet kan overnemen. De man verzet zich tegen een termijn van zes maanden. Hij vindt dat de procedure al lang duurt en hij wil snel duidelijkheid over de overname van het huis door de vrouw dan wel verkoop aan een derde. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals opgenomen onder “ Beslissing ” wordt de vrouw in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand te onderzoeken of zij financieel in staat is om de woning over te nemen. Indien blijkt dat de vrouw niet in staat is om de overname van de woning te financieren, acht de rechtbank het redelijk dat zij nog drie maanden in de woning kan blijven en vanuit daar op zoek kan gaan naar een nieuwe woning voor haarzelf en de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen. Gebruiksvergoeding echtelijke woning De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen voor de periode dat zij in de woning verblijft en de woning nog niet aan haar is toegedeeld. Ter zitting is toegelicht dat dit verzoek is ingegeven als extra prikkel zodat de verdeling van de echtelijke woning snel kan worden afgewikkeld. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens het huwelijk moeten partijen elkaar op grond van artikel 1:81 BW het nodige verschaffen. Tot die tijd is er geen ruimte voor een gebruiksvergoeding. Pas na ontbinding van het huwelijk (dit is na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) is een gebruiksvergoeding mogelijk. Op de zitting is gebleken dat de vrouw zowel de hypotheekaflossing als de rente volledig draagt. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de door de vrouw – na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking - aan de man te betalen gebruiksvergoeding gelijk te stellen aan de helft van de hypotheek- en eigenaarslasten van de echtelijke woning, die de man aan de vrouw verschuldigd is, zodat deze tegen elkaar weggestreept worden. Partijen zijn elkaar daarom over en weer niets meer verschuldigd. Proceskosten Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. Beslissing De rechtbank: * spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 28 november 1997 te Wassenaar; * bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw; * bepaalt dat [de minderjarige] bij de man zal zijn één zaterdag per veertien dagen, waarbij [de minderjarige] bij de man kan overnachten als hij dat wil, alsmede gedurende een deel van de schoolvakanties in onderling overleg en in samenspraak met [de minderjarige] te verdelen; * bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: mede verzorgt en opvoedt) van € 567,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; * bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 999,- per maand aan partneralimentatie zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; * stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand: met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) ’s-Gravenhage en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening: 1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden: a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen vrouw de woning zal overnemen; b) de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen; c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur; d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan; e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning; 2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden: a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning; b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen.