Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:16147
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,385 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.47379 en NL24.47380
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres]
, V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. H.K. Westerhof),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Eiseres heeft op 13 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. A. Jhingoer als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, H.C. de Man als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres stelt de Senegalese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij gedwongen is uitgehuwelijkt aan haar neef en dat zij vreest om voorafgaand aan het huwelijk opnieuw besneden te worden omdat dit traditie is in Senegal.
2.1.
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
gedwongen huwelijk met neef en besnijdenis.
2.2.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Verweerder heeft de vrees van eiseres voor gedwongen uithuwelijking en besnijdenis, niet beoordeeld op geloofwaardigheid omdat dit asielmotief hoe dan ook niet kan leiden tot inwilliging van de aanvraag. Eiseres is namelijk afkomstig uit een veilig land van herkomst en uit de verklaringen van eiseres blijkt niet dat Senegal voor haar persoonlijk niet veilig is. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voor de gestelde problemen niet de hulp en bescherming zou kunnen inroepen van de Senegalese autoriteiten. Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij nooit aangifte heeft gedaan van haar problemen. Niet is gebleken dat zij heeft geprobeerd de hulp en de bescherming in te roepen van de Senegalese autoriteiten. Verder weegt mee dat uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij op een normale wijze kon deelnemen aan de samenleving. Gelet op het voorgaande heeft eiseres geen vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin en zij loopt geen reëel risico op schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Omdat eiseres afkomstig is uit een veilig land van herkomst, wijst verweerder de aanvraag van eiseres af als kennelijk ongegrond. Verder moet eiseres Nederland onmiddellijk verlaten en is aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder stelt ten onrechte dat Senegal voor haar een veilig land van herkomst is. Eiseres verwijst daarbij naar het arrest CV van 4 oktober 2024. Hierin is geoordeeld dat een land alleen als veilig kan worden verklaard als het overal en voor iedereen veilig is. Dit is Senegal voor eiseres niet. Verweerder heeft ook ten onrechte een inreisverbod opgelegd omdat eiseres familie heeft in Europa en zij door het inreisverbod geen contact meer met hen zal kunnen hebben. Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat zij zich aansluit bij het oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank in de uitspraak van 8 januari 2025. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om niet, in navolging van de hiervoor genoemde uitspraak, zelf in haar zaak te voorzien omdat verweerder de geloofwaardigheid van haar asielrelaas niet heeft beoordeeld. Een dergelijke beslissing zou daarom te verstrekkende gevolgen hebben voor de aanvraag van eiseres. Daarnaast is eiseres door de behandeling van haar aanvraag in de versnelde procedure in haar belangen geschaad omdat zij geen nader gehoor heeft gehad. Hierdoor heeft zij niet de mogelijkheid gehad om haar relaas nader te motiveren. Ook zou eiseres geen inreisverbod hebben gekregen als haar aanvraag niet in de versnelde procedure voor veilige landen van herkomst was behandeld. Tot slot, heeft eiseres verzocht om de voorlopige voorziening toe te wijzen indien het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit door de rechtbank wordt vernietigd zodat zij niet kan worden uitgezet. Het is van belang dat eiseres in Nederland is als zij opnieuw moet worden gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 8 januari 2025 geoordeeld dat het uitzonderen van groepen zich niet verdraagt met de aanwijzing van een land als veilig in de zin van de Procedurerichtlijn. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel en verklaart artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het Vv 2000 daarom onverbindend.
4.1.
Gelet hierop berust verweerders aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst niet op een draagkrachtige motivering. Verweerder heeft dan ook onzorgvuldig gehandeld door de asielaanvraag van eiseres te behandelen in de versnelde procedure en verweerder heeft de aanvraag van eiseres ook ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Het beroep is daarom gegrond.
4.2.
Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Daartoe is het volgende van belang.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de zwaarwegendheid van het asielrelaas van eiseres heeft beoordeeld. De rechtbank is met verweerder eens dat eiseres niet in haar belangen is geschaad omdat hij de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet heeft beoordeeld. Ook in het geval verweerder de geloofwaardigheid van de asielmotieven wel had beoordeeld, had verweerder immers ook alsnog de zwaarwegendheid moeten beoordelen. Bovendien volgt uit verweerders beleid als neergelegd in paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vc 2000 dat verweerder de mogelijkheid heeft om asielmotieven enkel op zwaarwegendheid te beoordelen indien daar reden toe wordt gezien. De rechtbank overweegt dat verweerder in het geval van eiseres hiertoe aanleiding heeft kunnen zien gelet op het volgende.
4.4.
Verweerder heeft zich op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen hulp en bescherming zal krijgen van de Senegalese autoriteiten tegen de gedwongen uithuwelijking en de daaraan verbonden besnijdenis. Daarbij heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiseres heeft verklaard dat zij geen aangifte heeft gedaan en geen poging heeft ondernomen om de hulp en bescherming van de Senegalese autoriteiten in te roepen. Verweerder heeft de verklaring van eiseres dat de Senegalese autoriteiten haar niet zullen bijstaan en niet zullen beschermen omdat zij haar problemen zien als een familiaire aangelegenheid, onvoldoende kunnen vinden. Daarbij heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat onduidelijk is waar eiseres dit op baseert, aangezien zij nooit heeft geprobeerd om de hulp van de autoriteiten in te schakelen. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiseres in beroep geen gronden heeft gericht tegen deze motivering.
4.5.
De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar betoog dat zij in haar belangen is geschaad door de behandeling van haar aanvraag in de versnelde procedure omdat zij hierdoor geen nader gehoor heeft gehad. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat eiseres wel degelijk een aanmeldgehoor en een nader gehoor heeft gehad, waarbij zij ook is gehoord over haar problemen vanwege de gedwongen uithuwelijking en de daaraan verbonden besnijdenis.
4.6.
Omdat verweerder zich op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres bij terugkeer naar Senegal geen vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM, legt de rechtbank deze motivering van verweerder ten grondslag aan haar oordeel.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 30b van de Vw 2000 en het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.
6. Gelet op overwegingen 4.3. tot en met 4.6. zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de asielaanvraag van eiseres af te wijzen als ongegrond. Deze uitspraak geldt ook als terugkeerbesluit. Omdat verweerder – buiten de kennelijke ongegrondheid – geen andere gronden heeft gegeven waarom eiseres een vertrektermijn kon worden onthouden, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de vertrektermijn vier weken bedraagt en dat deze aanvangt met ingang van de dag na verzending van deze uitspraak. Omdat Senegal het herkomstland van eiseres is, moet zij daarheen vertrekken.
7. Omdat het bestreden besluit – waar het terugkeerbesluit een onderdeel van is – is vernietigd, komt daarmee ook de grondslag voor het bij dat besluit opgelegde inreisverbod te vervallen en wordt dit vernietigd. Nu eiseres geen vertrektermijn kan worden onthouden, bestaat geen mogelijkheid meer een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 op te leggen.
8. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 28 november 2024;
wijst de asielaanvraag af als ongegrond;
bepaalt dat eiseres binnen vier weken na verzending van deze uitspraak moet vertrekken naar Senegal;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiseres.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:841.
ECLI:NL:RBDHA:2025:172.
Ibidem.
Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking).
Voorschrift Vreemdelingen 2000.
Algemene wet bestuursrecht.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Zie het verslag van het aanmeldgehoor van 13 november 2024.
Zie het verslag van het nader gehoor van 24 november 2024.
Zie artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.