Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:16146
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
2,002 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37290
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
8 augustus 2025 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland op 4 juni 2025 een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek op 10 juni 2025 aanvaard.
Zienswijze
5. Eiser verzoekt de rechtbank hetgeen is aangevoegd in de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank stelt evenwel vast dat eiser in het kader van de onderhavige asielprocedure geen zienswijze heeft ingediend, zodat dit niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt dat ten aanzien van Zwitserland concrete aanwijzingen zijn dat er niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is van mening dat hij geen eerlijk proces zal krijgen in de zin van artikel 6 van het EVRM, nu er in Zwitserland €750,- wordt gevraagd om beroep in te stellen. Hierbij wijst eiser op het AIDA-rapport van 4 juli 2024.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening – waaronder ook Zwitserland – hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Zwitserland ook in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat de asielprocedure in Zwitserland fundamentele systeemfouten bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken als bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van Zwitserland uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het standpunt van de minister ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt bevestigd door de Afdeling in de uitspraak van 4 november 2020. De Afdeling heeft hierna geen uitspraken gedaan waarin anders is geoordeeld. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat Zwitserland zich ten opzichte van hem niet aan zijn internationale verplichtingen houdt of dat in Zwitserland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen.
6.3.
Uit het door eiser aangehaalde citaat uit het AIDA-rapport volgt dat de Zwitserse rechtbank een voorschot kan eisen en dat dit vaak gebeurt indien een beroep op het eerste gezicht ongegrond wordt geacht. Ook volgt uit het rapport dat er wettelijke vertegenwoordigers zijn die niet verplicht zijn om dit voorschot te voldoen. Ook bestaan er onder bijzondere voorwaarden mogelijkheden tot vrijstelling van de betalingsverplichting. Mede gelet op deze uitzonderingen wordt daarom niet aangenomen dat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Eiser heeft daarnaast geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit volgt dat hij een geldbedrag zal moeten betalen als zijn nieuwe asielaanvraag niet wordt ingewilligd. Er wordt dan ook niet voldaan aan de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid die noodzakelijk is bij het aannemen van een schending van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Racisme
7. Eiser is van mening dat er in Zwitserland veel racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat aanwezig is. Eiser verwijst naar het ‘Report of the Working Group of Experts on People of African Descent on its mission to Switzerland’ van 4 oktober 2022.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Zwitserland te maken zal krijgen met racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat. De enkele verwijzing naar het hiervoor genoemde rapport is hiervoor onvoldoende. Daarbij is van belang dat uit het rapportook blijkt dat er stappen zijn ondernomen om de mensenrechten van mensen uit Afrika te garanderen. Tenslotte is van belang dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Zwitserse asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins, beklaagt bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Zwitserse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. De minister mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Zwitserland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Arrest van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2592.
Zie Working Group of Expert on People of African Descent on its Mission to Switzerland,
4 oktober 2022, pagina 16.