Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:16118
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,725 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5885
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1], eiser 1, V-nummer: [V-nummer 1]
[eiseres 1]
, eiseres 1, V-nummer: [V-nummer 2]
[eiseres 2]
, eiseres 2, V-nummer: [V-nummer 3]
[eiseres 3]
, eiseres 3, V-nummer: [V-nummer 4]
[eiseres 4]
, eiseres 4, V-nummer: [V-nummer 5]
[eiseres 5]
, eiseres 5, V-nummer: [V-nummer 6]
[eiser 2]
, eiser 2, V-nummer: [V-nummer 7]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. J.M. Sánchez Rhemrev en mr. K. Kanters).
Inleiding
In het besluit van 9 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 op een zitting behandeld in Breda. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Kanters.
Beoordeling
1. Op 25 augustus 2021 heeft [referent], referent, in Nederland een asielvergunning gekregen. Vervolgens heeft hij op 7 juli 2022 bij verweerder aanvragen ingediend om verlening van een mvv ten behoeve van de overkomst van eisers, zijn gezinsleden. Een mvv is een inreisvisum dat na aankomst in Nederland wordt omgezet in een verblijfsvergunning. Referent is de zoon van eiser 1 en eiseres 1, en de broer van de overige eisers.
2. In het besluit van 8 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eisers hebben vervolgens bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 30 augustus 2024 is referent door verweerder gehoord. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Verweerder geeft eisers het voordeel van de twijfel waar het gaat om hun identiteit en hun familierechtelijke relatie met referent, en neemt deze dus aan. Ook neemt verweerder aan dat sprake is van familieleven tussen referent en eisers, met uitzondering van eiseres 2. Zij is namelijk meerderjarig, en volgens verweerder getuigen de banden tussen referent en eiseres 2 niet van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verder wegen de belangen van eisers om bij referent in Nederland te verblijven volgens verweerder niet op tegen het algemene belang van de Nederlandse Staat.
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Zij voeren aan dat wel degelijk sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid in de banden tussen eiseres 2 en referent. Daarbij wijzen zij erop dat zij nauw met elkaar samen hebben geleefd in een omgeving die werd gekenmerkt door oorlog. Ook wijzen zij erop dat referent zoveel mogelijk financiële hulp geeft. Daarnaast voeren eisers aan dat de belangenafweging ten onrechte in hun nadeel is uitgevallen. Het is volgens hen niet uit te leggen dat verweerder kijkt naar de situatie van dit moment, in plaats van naar de situatie ten tijde van het vertrek van referent. Referent slaagt er namelijk niet in om stappen naar zelfstandigheid te zetten en heeft daarbij eisers, en met name zijn ouders, nog hard nodig. Dat hij daartoe wel pogingen onderneemt, hangt samen met de lange duur van de procedure. Daar kunnen eisers echter niets aan doen. Vanwege de oorlog in Syrië is het niet mogelijk om het gezinsleven daar voort te zetten. Contact op afstand is geen volwaardige manier om het gezinsleven te onderhouden. De belangen van eiseres 3, 4 en 5 en eiser 2 als minderjarigen komen niet goed uit de verf, omdat ervan uit wordt gegaan dat de aanvraag van de ouders wordt afgewezen. Ook is het niet de intentie van referent om langdurig een beroep op de openbare kas te doen, maar om een goede toekomst in Nederland op te bouwen en te voorzien in het onderhoud van hemzelf en zijn gezinsleden.
4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Alle omstandigheden zijn betrokken in de beoordeling van de banden tussen eiseres 2 en referent, en deze leiden in onderlinge samenhang bezien niet tot bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ook is op goede gronden overwogen dat het algemene belang van de Nederlandse Staat zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van eisers. Dat niet alle stappen naar zelfstandigheid van referent slagen, laat onverlet dat hij die stappen wel moet zetten. De veiligheidssituatie in Syrië is meegewogen, maar is niet doorslaggevend. De enige binding met Nederland van eisers is de omstandigheid dat referent er woont, zodat zij veel sterkere banden hebben met Syrië. De belangen van de minderjarigen worden niet geschonden omdat het gezin zoals zich dat nu in Syrië bevindt door het bestreden besluit niet wordt gescheiden. Ook heeft referent niet aannemelijk gemaakt dat hij financieel zorg kan dragen voor zichzelf en zijn gezinsleden, en zullen de gezinsleden na overkomst naar Nederland bovendien ook een beroep doen op de publieke voorzieningen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht op gezins- en privéleven neergelegd. In het geval van een broer en diens meerderjarige zus is sprake van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van dit artikel als tussen hen een emotionele band bestaat met bijkomende elementen van afhankelijkheid (additional elements of dependancy involving more than the normal emotional ties). Of een dergelijke band aanwezig is, moet van geval tot geval worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feitelijke omstandigheden. Daarbij mag geen doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de vraag of sprake is van exclusieve afhankelijkheid (dat wil zeggen: de vraag of de betrokkenen niet zonder elkaar kunnen functioneren). Dit volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275.
6. De aanwezigheid van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM leidt niet meteen tot een verplichting voor verweerder om een verblijfsvergunning te verlenen. Die verplichting ontstaat pas wanneer de belangen van de vreemdeling(en) om in Nederland te verblijven zwaarder wegen dan het algemene belang van Nederland. Bij de afweging van deze belangen moet een goed evenwicht (fair balance) worden gevonden tussen de belangen van de vreemdeling(en) enerzijds, en die van de Nederlandse Staat anderzijds. Hierbij moeten alle relevante omstandigheden van het individuele geval worden betrokken. De bestuursrechter toetst zonder terughoudendheid, met andere woorden: volledig, of alle relevante omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. De bestuursrechter toetst vervolgens met enige terughoudendheid of het samenstel van deze omstandigheden heeft geleid tot een juiste conclusie. Dit komt doordat verweerder hierbij beoordelingsruimte heeft (margin of appreciation).
7. Verweerder heeft terecht overwogen dat de banden tussen eiseres 2 en referent geen blijk geven van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit de stelling van eisers dat zij nauw in gezinsverband hebben samengeleefd in een situatie die zich heeft gekenmerkt door oorlog, volgt niet zonder meer dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn ontstaan. Eisers hebben ook geen verdere concrete feiten of omstandigheden aangewezen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat van dergelijke elementen sprake is. Ook heeft verweerder terecht overwogen dat de financiële steun die referent geeft maar zeer gering is. Bovendien is referent hiermee pas begonnen nadat hij naar Nederland is gekomen. De stelling van eisers dat eiseres 2 alleen kan functioneren door het contact met referent is niet onderbouwd.
8. Het is in deze zaak niet in geschil dat verweerder alle aspecten die relevant zijn voor de belangenafweging in de beoordeling heeft betrokken. Wel in geschil is of verweerder aan die aspecten de juiste weging heeft gegeven. Anders dan eisers aanvoeren, heeft verweerder daarbij terecht gekeken naar de feiten en omstandigheden zoals die waren ten tijde van het bestreden besluit (ex tunc-toetsing). Dit zou alleen anders zijn als de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) van toepassing zou zijn, maar dat is hier niet het geval.
9. In het voordeel van eisers heeft verweerder meegewogen dat referent als houder van een asielvergunning niet terug naar Syrië kan gaan om daar het gezinsleven voort te zetten. Daarnaast kunnen eisers worden gevolgd in hun stelling dat de lange duur van deze procedure niet aan hen mag worden tegengeworpen. Deze lange duur is namelijk aan verweerder te wijten, die de wettelijke termijn voor het beslissen op het bezwaar van eisers ruimschoots heeft overschreden. Dit is vastgesteld in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18800. Daarnaast is een klacht van eisers hierover op 6 januari 2025 door verweerder gegrond verklaard. Verweerder heeft deze omstandigheden in de belangenafweging echter niet ten onrechte niet doorslaggevend geacht.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.