Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:16039
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,353 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12619
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Pals),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het volgens haar niet tijdig nemen van een besluit door de minister. Zij heeft haar beroep ingetrokken naar aanleiding van de brief van de minister van 10 juni 2025.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank meegedeeld zich te verzetten tegen het verzoek om een veroordeling in de proceskosten.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wat is voorafgegaan aan de intrekking van het beroep?
3. Verzoekster heeft, gelet op de loopbrief, op 19 december 2022 een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is op 23 juli 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 17 januari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft na het uitblijven van een nieuw besluit op 18 maart 2025 een beroep niet tijdig beslissen ingediend. De minister heeft met de brief van 10 juni 2025 meegedeeld dat de asielaanvraag van verzoekster niet inhoudelijk wordt afgedaan, omdat verzoekster niet meer in Nederland verblijft en haar asielaanvraag in Duitsland wordt behandeld. Uit deze brief volgt ook dat verzoekster geen besluit, maar middels deze brief, een schriftelijke bevestiging hiervan ontvangt.
Is tegemoetgekomen aan het beroep?
4. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan het beroep van betrokkene is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener van het beroepschrift dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
4.1.
Het door verzoekster ingetrokken beroep richtte zich tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag. In een dergelijk geval is pas sprake van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb als de minister alsnog een besluit neemt op deze aanvraag. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 10 juni 2025 niet als een dergelijk besluit is aan te merken. Volgens de tekst van deze brief heeft deze tot doel om de gemachtigde van verzoekster in te lichten over de niet-inhoudelijke afdoening van de asielaanvraag van verzoekster. In de brief staat zelfs expliciet dat verzoekster geen besluit zal ontvangen, maar slechts ‘deze schriftelijke bevestiging’. Bovendien ontbreekt onder de brief een rechtsmiddelenclausule. De minister is dus met deze brief, die zich niet kwalificeert als een besluit, dan ook niet aan verzoekster tegemoetgekomen. Daarom bestaat geen aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
4.2.
De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de minister bevoegd is een asielprocedure te beëindigen in het geval een betrokkene is verdwenen of zonder toestemming van de minister is vertrokken. Maar de minister zal deze afsluiting van de asielprocedure wel met een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag moeten bekendmaken, waartegen rechtsmiddelen openstaan. De minister moet dus nog beslissen op de aanvraag.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Rb. Den Haag (zp. ’s-Hertogenbosch) 17 januari 2025, NL24.23257 (niet gepubliceerd).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).