Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:15939
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,679 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28642
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(Gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
De minister van Asiel en Migratie,
(Gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de asielaanvraag af te wijzen in stand kan blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging en dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Inleiding
2. Eiser heeft op 17 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juni 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.28643, op 21 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij uit Gambia komt en dat hij de Gambiaanse nationaliteit heeft. Eiser verwijst als reden voor zijn asielaanvraag naar algemene sociaaleconomische omstandigheden, zoals dat hij een beter leven wil.
Na doorvragen tijdens het nader gehoor brengt eiser naar voren dat hij vals werd beschuldigd van het stelen van geld.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens de minister het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst.
4.1.
De minister acht het asielmotief deels geloofwaardig. Eisers nationaliteit en herkomst zijn volgens de minister geloofwaardig. De identiteit van eiser is volgens de minister ongeloofwaardig. Eiser heeft volgens de minister geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en zonder goede verklaring geen documenten overgelegd. Eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.
Eisers nationaliteit en herkomst leveren volgens de minister geen gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade op.
Acht de minister de identiteit van eiser ten onrechte ongeloofwaardig?
5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn identiteit ongeloofwaardig is. Daarnaast is eiser het niet eens met het standpunt van de minister dat hij niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting. Eiser voert aan dat hij zich oprecht heeft ingespannen om zijn asielaanvraag te onderbouwen. Zo heeft hij gepoogd aan documenten te komen om zijn identiteit aan te tonen, maar had hij de connecties en het geld niet om deze documenten te verkrijgen. Eiser betoogt dat de minister hem ook ten onrechte tegenwerpt dat hij verschillende aliassen zou hebben gehanteerd bij zijn asielaanvragen. Eiser erkent dat de door hem opgegeven namen enige variëteit bevatten, maar niet in die mate dat van valse gegevens dan wel van aliassen kan worden gesproken. Daarnaast heeft eiser perioden bij kennissen verbleven waardoor hij soms werd gemeld als met onbekende bestemming te zijn vertrokken. Dit neemt volgens eiser niet weg dat hij naar zijn vermogen alle medewerking c.q. inspanning heeft verleend.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is. De rechtbank deelt het standpunt van de minister dat eiser niet aan de inspanningsverplichting heeft voldaan. Eiser heeft geen verschoonbare reden gegeven voor het ontbreken van documenten ter onderbouwing van zijn identiteit. Daarbij heeft de minister in ogenschouw mogen nemen dat eiser al zeven jaar in Nederland asielprocedures doorloopt, zodat het belang van documenten voor zijn asielaanvraag bij hem bekend mag worden verondersteld. Uit de verklaringen van eiser blijkt echter dat hij geen enkele poging heeft ondernomen om aan originele documenten ter onderbouwing van zijn identiteit te komen, terwijl dit wel van hem had mogen worden verwacht. Ook bij sporadisch contact met familie in Gambia, had van eiser mogen worden verwacht dat hij een beroep doet op zijn familie om de mogelijkheid voor het verkrijgen van originele documenten te bespreken.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat uit eisers verklaringen niet kan worden afgeleid of hij de waarheid spreekt over de door hem in het kader van de onderhavige aanvraag opgegeven identiteit, omdat eiser bij verschillende asielaanvragen in verschillende landen een andere naam, geboorteplaats en leeftijd heeft opgegeven. Eisers uitleg, dat hij last heeft gehad van verwarde perioden en psychische problemen, volgt de minister niet ten onrechte niet. Tijdens de gehoren heeft eiser geen blijk gegeven van psychische problemen en eiser heeft de door hem gestelde medische problemen niet met documenten onderbouwd. Daarnaast is eiser niet verschenen op een medische afspraak om zijn fysieke en mentale gesteldheid te beoordelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Gegronde vrees voor vervolging / reëel risico op ernstige schade in Gambia?
6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Eiser voert daartoe aan dat hij zijn asielgerelateerde problemen wel degelijk al tijdens het nader gehoor heeft benoemd en dat het aan de minister was om daarop door te vragen. De minister heeft zijn verklaring over de valse beschuldiging van diefstal ten onrechte niet aangemerkt als asielmotief en ten onrechte niet beoordeeld. Het besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd.
6.1.
De rechtbank stelt met de minister vast dat eiser tijdens het nader gehoor de valse beschuldiging van diefstal niet als asielmotief heeft genoemd. Eiser heeft tijdens het nader gehoor, wanneer hij wordt gevraagd naar zijn huidige problemen in Gambia, de redenen van zijn vertrek of zijn vrees bij terugkeer, op geen enkel moment aangegeven dat de valse beschuldiging van diefstal deel is van zijn asielrelaas. Eerst na doorvragen benoemt eiser de beschuldiging van diefstal. De minister stelt terecht dat dit er geen blijk van geeft dat eiser zich zorgen maakt over de valse beschuldiging van diefstal bij terugkeer naar Gambia. Daarnaast constateert de minister terecht dat eiser geen reden heeft gegeven waarom hij de problemen vanwege valse beschuldiging van diefstal niet eerder heeft aangekaart en waarom hij hierover wisselend heeft verklaard.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister, ondanks dat de valse beschuldiging van diefstal niet als asielmotief is aangemerkt en afgezien van de geloofwaardigheid, wel degelijk eisers verklaringen hierover heeft betrokken in de beoordeling of eiser te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eisers gestelde problemen niet in verband te brengen zijn met het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM. Eisers verklaringen bevatten geen enkele indicatie dat hij wordt gezocht vanwege de door hem gestelde problemen van negen jaar geleden. Daarbij wijst de minister er terecht op dat eiser niet heeft verklaard dat hij op dit moment wordt gezocht, dat eiser niet heeft geïnformeerd of hij op dit moment wordt gezocht en het volgens eiser niet een thema is waaraan hij denkt.
6.3.
De rechtbank is, gelet op wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en ook deugdelijk is gemotiveerd. Het is aan eiser om tijdens het nader gehoor alle relevante asielgerelateerde problemen naar voren te brengen en te onderbouwen. Eiser heeft tijdens het nader gehoor, zoals in 6.1. is overwogen, op geen enkel moment aangegeven dat de valse beschuldiging van diefstal deel is van zijn asielrelaas. De minister heeft, zoals de rechtbank in 6.2. heeft vastgesteld, bovendien wel degelijk eisers verklaringen over de valse beschuldiging betrokken in de beoordeling of eiser te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Nader gehoor, pagina 6, 7 en 9.