Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:15777
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,047 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 24/8510, SGR 24/8511 en SGR 24/8512
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaken tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: A. Oosters),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraken van de heffingsambtenaar van 17 september 2024 (2024) en 2 oktober 2024 (2022 en 2023), op de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2022 is vastgesteld op € 2.652.000, voor het kalenderjaar 2023 is vastgesteld op € 2.916.000 en voor het kalenderjaar 2024 is vastgesteld op € 2.907.000.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2025.
Namens belanghebbende is de gemachtigde verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] en mr. D.J. Koopmans.
Overwegingen
1. De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase bij e-mailbericht van 24 januari 2025, met een aanvulling op 10 februari 2025, een compromisvoorstel gedaan. Dit compromisvoorstel houdt in dat de waarde van de woningen voor belastingjaar 2022 op
€ 2.140.000 wordt vastgesteld en voor de belastingjaren 2023 en 2024 op € 2.360.000 wordt vastgesteld. In het compromisvoorstel biedt de heffingsambtenaar € 1.520,75 proceskostenvergoeding aan, bestaande uit 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift (met een waarde per punt van € 647,-), 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting (met een waarde per punt van € 647,-) en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift. Hierbij heeft de heffingsambtenaar de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 toegepast voor de beroepsfase. De (nader voorgestelde) waarden van de woning en de proceskostenvergoeding in bezwaar zijn niet langer in geschil. Het beroep ziet slechts op de toepassing van vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ in beroep.
2. Belanghebbende verzoekt de rechtbank ter zitting om de reactie van de heffingsambtenaar op zijn pleitnota – mede gelet op de omvang van de stukken – als tardief ingebracht buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank gaat voorbij aan dit verzoek. Artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Stukken die kort voor de zitting worden ingediend, kunnen buiten beschouwing worden gelaten indien en voor zover de wederpartij in zijn procesbelang is geschaad. De reactie op de pleitnota is op 1 april 2025 einde dag ingediend, bestaat uit drie pagina’s en vier bijlagen met voornamelijk jurisprudentie, waarmee gemachtigde verondersteld wordt bekend te zijn, en is niet van een omvang dat kan worden gezegd dat belanghebbende onvoldoende tijd heeft gehad om deze te bestuderen. In dit geval is van een benadeling van belanghebbende in zijn processuele positie door de late indiening van de reactie van de heffingsambtenaar dan ook geen sprake. Belanghebbende heeft voor de zitting kennis kunnen nemen van deze reactie. Bovendien heeft belanghebbende ter zitting voldoende tijd en gelegenheid gehad om hierop te reageren. De rechtbank acht de reactie van de heffingsambtenaar dan ook niet tardief en ziet geen schending van de goede procesorde.
3. Belanghebbende bepleit wat betreft de kosten voor het beroep dat de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ niet op hem van toepassing is omdat hij voldoet aan de uitzonderingen zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.
4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.
5. Het is aan de gemachtigde om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van zo’n bijzonder geval. Gemachtigde stelt dat hij tot 2024 diensten op basis van no cure no pay verleende en dat hij vanaf 2024 diensten verleent op basis van een uurtarief. Gemachtigde heeft een overeenkomst overgelegd die ziet op het uitvoeren van werkzaamheden voor de beroeps- en hoger beroepsfase. Ook heeft gemachtigde een betalingsbewijs overgelegd. Niet gebleken is dat er naast de overgelegde documenten nog andere kosten in rekening kunnen worden gebracht. Daarmee heeft de gemachtigde naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft met de enkele verwijzing door zijn gemachtigde naar diens website geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfactor(en) wel geld(t)(en). In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2025 geldt dat het uitblijven van een dergelijke onderbouwing ertoe leidt dat geen sprake is van een bijzonder geval. Daarnaast kan de rechtbank op een enkele factuur niet oordelen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde een bijzonder geval is. Nog daargelaten dat het doel van de proceskostenvergoeding niet eruit bestaat de werkelijke kosten te vergoeden, maar het bieden van een tegemoetkoming in die kosten. Gelet hierop past de rechtbank de vermenigvuldigingsfactor 0,25 toe.
6. In artikel 3, eerste lid, van het Bpb is bepaald dat samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit worden beschouwd als één zaak. Op grond van het tweede lid zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarbij dient per fase van de procedure (bezwaar- dan wel beroepsfase) te worden beoordeeld of sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank stelt vast dat deze zaken in de beroepsfase op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en de werkzaamheden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek is geweest. Ze zijn in beroep gezamenlijk en in samenhang met elkaar behandeld. De rechtbank merkt de zaken daarom aan als samenhangend.
7. De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Bpd voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.747,50 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- (tarief 2025) en wegingsfactor 1 (totaal bezwaarfase € 1294,-); 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- (tarief 2025), en een wegingsfactor 0,25 (totaal beroepsfase € 453,50).
8. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij, gelet op artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Over de vraag of deze wettelijke bepaling onrechtmatig is, zoals belanghebbende meent, laat de rechtbank zich niet uit.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.747,50;
draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende te vergoeden;
draagt de heffingsambtenaar op om de toegekende proceskosten en het griffierecht (ingevolge artikel 30a, vierde en vijfde lid, Wet WOZ) te betalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
G.M. Kraus, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
ECLI:NL:HR:2025:46.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507.
ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2.
ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2, laatste volzin.
ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.2 t/m 3.4.6.
Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.
Zie ECLI:NL:HR:2025:156.