Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:1565
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,872 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42713
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
1.1.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
4. Eiser is – samen met zijn ouders en broertje – op 29 januari 2024 in Nederland aangekomen en heeft een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 1 augustus 2024 is deze aanvraag – en die van zijn ouders en broertje – niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke afhandeling daarvan. Eiser heeft op 1 augustus 2024 beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep is op 10 oktober 2024 door hem ingetrokken. Eiser is op 11 oktober 2024 uitgezet naar Kroatië. De geplande uitzetting van de ouders en het broertje van eiser heeft geen doorgang gevonden. Eiser heeft zich op 14 oktober 2024 opnieuw in Nederland gemeld voor de indiening van een asielverzoek. Dit verzoek is bij besluit van 30 oktober 2024 opnieuw niet in behandeling genomen, omdat volgens de minister Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
4.1.
Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 december 2024 zijn de beroepen van de ouders en broertje van eiser tegen het besluit van de minister van 11 oktober 2024 tot verlenging van de overdrachtstermijn gegrond verklaard, omdat de minister ten onrechte had geoordeeld dat zij waren ondergedoken.
4.2.
Bij besluit van 7 januari 2025 heeft de minister de onder 4 genoemde besluiten van de ouders en broertje van eiser ingetrokken, omdat de uiterste termijn om hen aan Kroatië te kunnen overdragen is verstreken.
Mag de minister ten aanzien van Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië niet van het meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij heeft daarbij gewezen op zijn eigen ervaringen en die van zijn gezinsleden met de Kroatische autoriteiten. Ook heeft hij gewezen op de landeninformatie waaruit onder meer volgt dat sprake is van pushbacks in Kroatië.
5.1.
De minister heeft het standpunt ingenomen dat ten aanzien van Kroatië uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 9 oktober 2024.
5.2.
In de hiervoor onder 5.1. genoemde uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de ABRvS geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In die uitspraak heeft de ABRvS ook de problemen met de opvangvoorzieningen in Kroatië besproken en is zij ook ingegaan op het risico van pushbacks. De ABRvS heeft dit oordeel recentelijk bevestigd. In wat eiser in de gronden van beroep naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Dat de bewaringsrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, in haar uitspraak van 21 oktober 2024 heeft overwogen dat kan worden getwijfeld aan het oordeel van de ABRvS betreffende de veiligheidssituatie in Kroatië, leidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel, omdat het de bewaringsrechter in het kader van de bewaringsprocedure niet vrij staat de rechtmatigheid van de overbrenging te toetsen. Of het al dan niet veilig zou zijn in Kroatië valt niet onder de bevoegdheden van de bewaringsrechter.
5.3.
Desgevraagd heeft eisers gemachtigde ter zitting aangegeven bekend te zijn met deze uitspraken, maar dat hij zich niet kan vinden in de conclusies van de ABRvS. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat hij – anders dan in de zaken waarin de ABRvS heeft geoordeeld – is uitgezet naar Kroatië. Op het vliegveld in Zagreb zou hem zijn verteld dat hij zich moest melden bij het asielzoekerscentrum, maar dat hij toen hij daar aankwam er geen plek voor hem was en dat hij buiten heeft moeten slapen. Eiser heeft daarmee een reëel risico gelopen op een pushback, aldus zijn gemachtigde. Deze verklaring van eiser brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser zijn verklaringen niet met stukken heeft onderbouwd en dat uit zijn verklaringen ook niet blijkt dat er een poging is gedaan tot een pushback. Deze verklaring leidt dan ook niet tot het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de asielaanvraag onverplicht in behandeling moeten nemen?
6. Eiser stelt verder dat het van een onevenredige hardheid getuigd om hem van zijn familie te scheiden. In dit verband heeft eiser erop gewezen dat zij altijd in gezinsverband hebben samengeleefd, dat zij samen naar Europa zijn gevlucht en gelijktijdig een asielaanvraag in Nederland hebben ingediend. Eiser is nu als enige lid van het gezin nog verwikkeld in een Dublinprocedure en zal, als gevolg van het bestreden besluit, gescheiden worden van zijn familie met wie hij altijd samen is geweest. Volgens eiser moet daarbij in acht worden genomen dat de hechtheid van hun band zeer groot is, zeker omdat zij samen onder zware omstandigheden moesten vluchten uit hun land van herkomst. Eiser heeft er verder op gewezen dat de Uniewetgever juist waarde hecht aan de eenheid van het gezin en eerbiediging van familieleven. Eiser is een jongvolwassene die familieleven uitoefent met zijn ouders. Om deze reden dient de minister de aanvraag van eiser hier te lande te behandelen, aldus zijn gemachtigde. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 30 september 2021.
Ook is het volgens eiser van belang dat het gezin bij elkaar blijft om een zorgvuldige afhandeling van zijn asielaanvraag te waarborgen. Immers de minister kan een betere beoordeling maken van de relazen, als deze in samenhang beoordeeld kunnen worden. Eiser verwijst in dit verband naar punt 15 van de preambule: “De gezamenlijke behandeling van verzoeken om internationale bescherming van de leden van een gezin door dezelfde lidstaat zorgt ervoor dat de verzoeken grondig worden behandeld en de beslissingen daarover coherent zijn en dat gezinsleden niet van elkaar worden gescheiden.”
Tot slot meent eiser dat de minister zowel bij de opname in de nationale procedure van de andere familieleden als bij de buitenbehandelingstelling aandacht had moeten besteden aan het belang van het kind en de vraag of dat belang vergt dat ook het asielverzoek van eiser in Nederland behandeld dient te worden. Deze overweging is niet gemaakt, terwijl dat op grond van artikel 6 van de Dublinverordening en artikel 24 Handvest wel had gemoeten. Het belang van het kind moet een eerste overweging zijn en de minister had acht moeten slaan op de band tussen eiser en zijn jongere broertje van wie de asielaanvraag in de nationale procedure zal worden beoordeeld.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het feit dat eiser als enige van het gezin terug dient te keren naar Kroatië niet van een onevenredige hardheid getuigt. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat ervan uit wordt gegaan dat eiser zichzelf staande kan houden in Kroatië.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het artikel 3:46 van de Awb. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt en dat de minister, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op de aanvraag van eiser moet beslissen.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:4037
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5144
NL24.39263
punt 14 van de preambule
ECLI:NL:RBDHA:2021:10840
Algemene wet bestuursrecht