Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:15631
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,936 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.46309 en NL24.46310
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 30 oktober 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H.C. de Man als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2000, heeft de Mauritaanse nationaliteit en behoort tot de etnsiche groep bekend onder de naam [etniciteit] . Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser en zijn familie worden vanwege hun huidskleur systematisch gediscrimineerd. Hierdoor is het voor hen moeilijker om onderwijs te volgen, aan identiteitsdocumenten te komen, werk te vinden en daar goed voor betaald te krijgen. Sinds de dood van zijn vader draagt eiser de verantwoordelijkheid om zijn familie te onderhouden. Eiser is de situatie in Mauritanië zat en is naar Nederland gekomen om te kunnen werken en zijn familie te onderhouden. Hij wil niet terug naar Mauritanië vanwege de discriminatie die daar plaatsvindt.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn nationaliteit en herkomst worden geloofd. Eisers identiteit wordt niet geloofd omdat hij geen originele documenten heeft overgelegd om dit te onderbouwen en eiser zijn paspoort voor aankomst in Nederland heeft vernietigd. De gestelde problemen vanwege eisers etniciteit zijn niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Deze problemen heeft verweerder direct op zwaarwegendheid beoordeeld. Verweerder is hierbij tot de conclusie gekomen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. De discriminatie die eiser volgens zijn verklaring heeft ervaren is niet zwaarwegend genoeg omdat hij toegang heeft gehad tot arbeid, zorg en aan documenten heeft kunnen komen. Van ernstige repressie is ook niet gebleken. Ook blijkt uit recente landeninformatie pogingen van de Mauritaanse autoriteiten om systematische raciale en etnische discriminatie te verkleinen en sociale cohesie te vergroten. Daarnaast neemt verweerder geen reëel risico op ernstige schade aan omdat eiser geen specifieke vrees bij terugkeer heeft benoemd. Eisers asielaanvraag is verder afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij de minister heeft misleid over zijn identiteit en omdat eiser zijn paspoort heeft vernietigd. Tot slot krijgt eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is van mening dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en zorgvuldigheidsgebrek bevat en daardoor geen stand kan houden. Hiervoor wijst eiser erop dat verweerder onvoldoende in zijn beoordeling heeft betrokken dat eiser de algemene situatie aan zijn individuele omstandigheden heeft gekoppeld. Daarbij is verweerder voorbij gegaan aan het gebrek aan onderwijs. Verder is het voor eiser onduidelijk waarom verweerder zoveel waarde aan zijn paspoort hecht nu dit alleen zijn nationaliteit, waar eiser al in wordt gevolgd, kan staven. De kopie die eiser wel heeft afgegeven kan ook gezien worden als een begin van bewijs en oprechte inspanning om zijn relaas te onderbouwen. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat eiser als donkere Mauritaniër behoort tot een sociale groep als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder is hier in het bestreden besluit ten onrechte niet op in gegaan. Hierbij onderbouwt verweerder niet waarom het acceptabel is dat eiser smeergeld moet betalen om aan documenten te komen of dat hij moet overleven door zich te laten uitbuiten. Eiser verwijst ook naar landeninformatie waaruit blijkt dat de pogingen van de Mauritaanse autoriteiten ter verbetering van de situatie in werkelijkheid alleen symbolisch zijn. Verder is naar mening van eiser van misleiding geen sprake nu het hebben van een paspoort niet altijd doorslaggevend wordt geacht om de identiteit te kunnen staven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Identiteit
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de identiteit van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Verweerder heeft tegen kunnen werpen dat eiser geen originele documenten heeft overgelegd om zijn identiteit te staven. Daarbij heeft eiser volgens zijn eigen verklaring wel een Mauritaans paspoort gehad, maar heeft hij deze tijdens zijn vlucht naar Nederland vernietigd. Aan de kopie van eisers ID-kaart heeft verweerder geen bijzondere waarde hoeven hechten, nu dit document niet op echtheid gecontroleerd kan worden, nog daargelaten dat hij deze kopie door enkel een afbeelding daarvan te laten zien op zijn telefoon tijdens het gehoor, niet bij verweerder heeft ingediend. In de stelling dat eiser uit angst om teruggestuurd te worden zijn paspoort heeft vernietigd en alleen een kopie van zijn ID-kaart heeft meegenomen omdat hij bang was hem kwijt te raken, heeft verweerder geen verschoonbare reden voor zijn handelwijze hoeven zien. Ter zitting heeft eiser verder betoogd dat verweerder, net zoals hij in andere zaken doet, eisers identiteit vanwege een gebrek aan documentatie ook aan zou kunnen nemen. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen daar in deze zaak geen aanleiding toe te zien vanwege de situatie dat eiser wel documenten had, maar deze bewust heeft vernietigd. Dit doet afbreuk aan eisers geloofwaardigheid.
5.1.
De stelling van eiser dat zijn paspoort alleen zijn nationaliteit, die verweerder al gelooft, kan staven, volgt de rechtbank niet. Volgens paragraaf C1/4.2.2.2 van de Vc 2000 voldoet een document als identiteitsdocument als het in ieder geval een goedgelijkende pasfoto van de vreemdeling, zijn geboorteplaats en zijn geboortedatum bevat. Deze gegevens zouden onder andere van een authentiek en op juiste wijze afgegeven paspoort afgeleid kunnen worden waardoor het paspoort ook als identiteitsdocument kan dienen.
Zwaarwegendheid van de problemen van eiser
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij gezien moet worden als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag omdat hij vanwege zijn etniciteit en huidskleur behoort tot een sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn die in Mauritanië blootstaat aan vervolging. Weliswaar wordt in de beschikbare landeninformatie melding gemaakt dat sprake is van discriminatie en racisme tegen Mauritaniërs met een donkere huidskleur zoals eiser, maar dit maakt op zichzelf nog niet dat ook sprake is van vervolging. Hierbij is verder van belang dat uit eisers asielrelaas niet is gebleken dat hij te maken heeft met een dusdanig ernstige belemmering in zijn bestaansmogelijkheden dat dit tot een ander oordeel leidt. Eiser had toegang tot arbeid omdat hij in een keuken heeft kunnen werken, ondanks dat hij werd onderbetaald. Ook heeft eiser gewerkt als smid voor extra inkomsten waarvan eiser heeft kunnen leven en sparen. Verweerder heeft er daarnaast op kunnen wijzen dat eiser, ondanks de gestelde betaling van smeergeld, wel aan identiteitsdocumenten heeft kunnen komen. Verder heeft eiser, ondanks dat hij daar zelf geen gebruik van heeft gemaakt, volgens zijn verklaring toegang gehad tot medische zorg. Gelet hierop kan het feit dat eiser te maken heeft gehad met discriminatie of racisme al dan niet vanuit de overheid, hoe betreurenswaardig dit op zichzelf ook is, niet zonder meer leiden tot het aannemen van vervolging en van vluchtelingschap of van een risico op ernstige schade.
6.1.
De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd maakt dit oordeel niet anders. Weliswaar schetst het stuk een schrijnende situatie in die zin dat slavernij nog altijd voorkomt in Mauritanië en volgens sommige waarnemers door de staat wordt gedoogd ondanks dat het strafbaar is gesteld bij wet, maar hieruit blijkt niet dat elke persoon uit Mauritanië met een donkere huidskleur hiervoor in dezelfde mate te vrezen heeft. Gesteld noch gebleken is voorts dat eiser zelf met slavernij te maken heeft gehad of heeft moeten ondergaan.
Conclusie
9. Verweerder heeft de aanvraag niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser Nederland moet verlaten.
9.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000.
Op grond van paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Zie ook informatiebericht (IB) 2022/102 en de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333 en ECLI:NL:RVS:2022:2332.
Zie het rapport Mauritania 2023 Human Rights Report van de United States Department of State, pag. 28.
Zie het artikel ‘Justice still in chains for Mauritania’s slaves’ door Ephrem Rugiririza van Justice Info van 23 augustus 2021.
Verslag nader gehoor, pag. 3.
Verslag nader gehoor, pag. 9 en 10.
Verslag nader gehoor, pag. 12.
Verslag nader gehoor, pag. 3.
Verslag nader gehoor, pag. 12.