Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:15623
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,161 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.46260 en NL24.46261
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 11 augustus 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 november 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, S. Olia als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Eerdere asielaanvraag
2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1989 en heeft de Iraanse nationaliteit. Hij heeft op 13 november 2015 eerder een asielaanvraag in Nederland ingediend. Hierin heeft eiser – kort gezegd – verklaard dat hij vreest om als afvallige gestraft te worden. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld dat ongegrond is verklaard.
Huidige asielaanvraag
3. Eiser heeft het volgende aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard te zijn bekeerd tot het soefisme waardoor hij nog steeds als afvallige gezien wordt in Iran. Daarbij heeft eiser zich aangesloten bij een politieke oppositiepartij, Restart Opposition. Zo heeft hij op 27 juni 2018 na een oproep van de partijleider bij de Iraanse ambassade in Den Haag gedemonstreerd door de poorten van de ambassade dicht te maken met kettingen. Hiervan zijn beelden online verschenen. De Iraanse autoriteiten zijn van eisers oppositie tegen het regime op de hoogte geraakt als gevolg waarvan de inlichtingendienst eisers familie heeft bedreigd om hem een halt toe te roepen. Bij terugkeer vreest eiser gestraft te worden vanwege zijn afvalligheid en politieke activiteiten.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de volgende asielmotieven uit eisers asielrelaas herleid. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Ook wordt geloofd dat eiser een politieke overtuiging heeft. Niet wordt geloofd dat eiser een volger van het soefisme is. Eisers verklaringen hierover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo zijn de verklaringen van eiser vaag en algemeen over zijn afvalligheid. Ook zijn de verklaringen van eiser tegenstrijdig, vaag en algemeen over zijn aanhang van het soefisme. Daarnaast worden eisers politieke activiteiten en problemen vanwege deze activiteiten niet geloofd. Verweerder stelt zich ook hiervoor op het standpunt dat eisers verklaring geen samenhangend en aannemelijk geheel vormt. Eiser heeft zijn verklaringen niet met documenten kunnen onderbouwen of inzicht in zijn activiteiten op social media kunnen geven. De schermafbeeldingen die eiser tijdens het gehoor heeft getoond tonen ook niet zonder meer aan dat eiser deze activiteiten heeft verricht. Zo is eiser op het screenshot van een video waarin hij te zien zou zijn niet herkenbaar. Daarnaast heeft eiser onvoldoende informatie kunnen geven over het gestelde bezoek aan zijn familie door de inlichtingendienst. Verder heeft verweerder geoordeeld dat eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag is. Weliswaar passen politiek actieve personen binnen het door verweerder gehanteerde risicoprofiel, maar eisers politieke activiteiten worden niet geloofd. Daarbij is ook niet gebleken dat eiser bij terugkeer of in de toekomst voornemens is politieke activiteiten te verrichten, of dat de Iraanse autoriteiten eiser politieke activiteiten toedichten. Niet aannemelijk is daarnaast dat eiser te vrezen heeft voor de Iraanse autoriteiten vanwege zijn religieuze overtuiging. Van een reëel risico op ernstige schade is om diezelfde redenen ook geen sprake. Tot slot is eiser eerder al een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd die nog steeds gelden.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn relaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Zo werpt verweerder onterecht tegen dat eiser tegenstrijdig is over zijn bekering tot of het volgen van het soefisme. Hierbij heeft eiser inzicht gegeven in hoe hij dit praktiseert, met name hoe hij zichzelf reinigt. Het is daarbij verweerder aan te rekenen dat hij niet naar algemene kennis over het soefisme heeft gevraagd. Verder is er sprake van een onzorgvuldig gehoor nu verweerder niet langer vasthoudt aan de opvatting dat het soefisme een stroming binnen de islam is, hetgeen verweerder eiser in het gehoor wel meermaals heeft voorgehouden. Hieruit volgt dat de hoormedewerker van een onjuiste veronderstelling is uitgegaan. Eiser heeft daarbij zijn X-account gedeeld en heeft berichten hierop laten vertalen. Ook heeft eiser er eerder geen weet van gehad dat hij niet herkenbaar is op de videobeelden maar heeft ter onderbouwing het shirt nog dat hij droeg en het mutatierapport van de politie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn beoordeling rekening heeft gehouden met het referentiekader dat eiser een hoogopgeleid, volwassen persoon is die zich volgens zijn verklaring sinds 2018 in het soefisme heeft verdiept. Eiser heeft het door verweerder gehanteerde referentiekader niet betwist. De rechtbank zal dit kader dan ook voor de beoordeling aanhouden.
Geloofsovertuiging
7. Verweerder heeft in zijn beoordeling gebruik gemaakt van werkinstructie (WI) 2022/3. Hierin wordt voorgeschreven dat verweerder zich bij de beoordeling richt op drie elementen: de motieven voor het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de activiteiten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen.
7.1.
In het gehoor opvolgende aanvraag van 20 juni 2024 is eiser onder andere bevraagd over zijn bekering tot het soefisme. Het gehoor is hierin voornamelijk gegaan over de gestelde afvalligheid van eiser, de relatie tussen het soefisme en de islam, hoe eiser zichzelf ziet als volger van het soefisme en de activiteiten die eiser onderneemt als volger van het soefisme. Eiser heeft hierbij terecht aangevoerd dat verweerder hem niet heeft bevraagd over zijn kennis van het soefisme en dat hem daarom niet tegengeworpen kan worden dat hij onvoldoende kennis heeft getoond. Verweerder mag volgens de werkinstructie van een vreemdeling verwachten dat hij enige kennis heeft van zijn nieuwe religie. Hier wordt voor zover nodig het referentiekader van de vreemdeling, zoals vastgesteld onder rechtsoverweging 6, bij betrokken. Het is desalniettemin in de eerste plaats aan verweerder om dit uit te vragen. Omdat verweerder dit niet heeft gedaan, kan eiser niet verweten worden dat hij onvoldoende kennis van het soefisme heeft getoond. Hiermee heeft verweerder zijn eigen werkinstructie niet opgevolgd.
7.2.
De rechtbank is gelet op wat is beschreven onder rechtsoverweging 7.1. van oordeel dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gehad om te verklaren over zijn gestelde bekering tot het soefisme. Dit betekent dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. Omdat het gebrek de kern van eisers asielaanvraag raakt ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. Hierbij verwacht de rechtbank dat eiser opnieuw gehoord wordt met toepassing van WI 2022/3, waardoor de rechtbank geen aanleiding ziet om de verdere inhoudelijke punten over en weer over eisers verklaring rondom zijn geloofsovertuiging te bespreken.
Politieke activiteiten
8. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers politieke overtuiging wel geloofwaardig vindt. Dit is tussen partijen niet in geschil. Wel in geschil is dat verweerder eisers politieke activiteiten niet geloofwaardig vindt. Eiser heeft voor de zitting vertaalde berichten van zijn X-account (voorheen: Twitter) overgelegd ter onderbouwing van zijn politieke activiteiten. Verweerder heeft deze in kunnen zien. Eiser heeft eerder slechts zijn accountgegevens gedeeld en had kunnen weten dat hij zijn berichten zelf in had moeten dienen. Ter zitting heeft verweerder echter niet op de berichten gereageerd en verweerder heeft niet kunnen onderbouwen waarom, ondanks de late indiening door eiser, deze niet alsnog binnen de lopende procedure meegenomen hadden kunnen worden.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het besluit een zorgvuldigheidsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor tien weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijg eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).
9.3.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening wordt verweerder in de proceskosten veroordeeld. Deze vergoeding bedraagt € 907,- (1 punt voor het verzoekschrift met een waarde van € 907,- per punt met een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-.
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 7 november 2018, zaaknummer NL17.4548. Uitspraak niet gepubliceerd.
Zie paragraaf C7/17.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).